Print

Raad van State - Arrest nr. 250.752 van 1 juni 2021 – Beroep tot nietigverklaring – Onteigening

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
250.752
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 1 juni 2021
Samenvatting
 
Gelet op artikel 50 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening, en bijgevolg om de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid op zowel hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen.
 
Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen.
Tekst arrest

 

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

ARREST

nr. 250.752 van 1 juni 2021

in de zaak A. 228.553/X-17.543

In zake : de NV PATRILAM
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Michiel Deweirdt
kantoor houdend te 8500 Kortrijk
Doorniksewijk 66
bij wie woonplaats wordt gekozen
eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jan Bouckaert
kantoor houdend te 1000 Brussel
Loksumstraat 25
en advocaat Stijn Verbist
kantoor houdend te 2000 Antwerpen
Graaf van Hoornestraat 51
en advocaat Arnold Gits
kantoor houdend te 8500 Kortrijk
President Kenndypark 31/A

tegen :

1. de GEMEENTE WIELSBEKE
bijgestaan en verstegenwoordigd door
advocaat Sven Boullart
kantoor houdend te 9000 Gent
Voskenslaan 419
bij wie woonplaats wordt gekozen
2. de WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Sven Boullart
kantoor houdend te 9000 Gent
Voskenslaan 419
bij wie woonplaats wordt gekozen
3. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 28 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 9 april 2019, houdende de machtiging tot onteigening verleend aan de West-Vlaamse Intercommunale voor de onroerende goederen gelegen in Wielsbeke, ter realisatie van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lobeek’, meer bepaald voor wat betreft “de onroerende goederen gelegen aan de Stationstraat-Gewestweg N382 te Wielsbeke, kadastraal gekend als 1e afdeling, sectie C, nrs. 191G2 en 191H2”, en van het besluit van de gemeenteraad van Wielsbeke van 26 juni 2014 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Lobeek, met bijhorend onteigeningsplan, definitief wordt vastgesteld.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2021.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaten Michiel Deweirdt en Joke Derwa, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Benjamin D’Hollander, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de eerste en de tweede verwerende partij, en advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de derde verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Met het tweede bestreden besluit van 26 juni 2014 stelt de gemeenteraad van de gemeente Wielsbeek het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Lobeek’ (hierna: het GRUP) definitief vast.
Op 2 oktober 2014 keurt de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het GRUP goed.

3.2. De verzoekende partij is eigenaar van een stuk grond gelegen binnen de perimeter van het GRUP, meer bepaald binnen de zone begrepen tussen de weg N382 en de Lobeekstraat, en grenzend aan de verkeersrotonde. Deze percelen zijn kadastraal bekend als 1e afdeling, sectie C, nrs. 191/g2 en 191/h2. Op deze percelen vindt artikel 2 ‘zone voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten in een parkomgeving’ van het GRUP toepassing.

3.3. Met zijn arresten nr. 231.955 van 15 juli 2015 en nr. 239.353 van 11 oktober 2017 verwerpt de Raad van State verzoeksters op 17 februari 2015 tegen het GRUP ingestelde vordering tot schorsing, respectievelijk beroep tot nietigverklaring.

3.4. Met het eerste bestreden besluit van 9 april 2019 machtigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding de West-Vlaamse Intercommunale (WVI) om over te gaan tot onteigening van verzoeksters gronden.

IV. Kortedebattenprocedure - onderzoek

4.1. Gelet op artikel 50 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017, is de vrederechter bevoegd om uitspraak te doen over de wettigheid van de onteigening, en bijgevolg om de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid op zowel hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen.

Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen.

4.2. Naar blijkt, is verzoekster, eigenaar van de te onteigenen percelen, met het oog op de onteigening op 6 november 2020 gedagvaard om te verschijnen voor het vredegerecht te Waregem. De Raad van State is derhalve zonder rechtsmacht ten aanzien van de bestreden onteigeningsmachtiging en het bestreden onteigeningsplan. Het verantwoordt dat de kosten van het beroep, inbegrepen het betalen van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de tweede en de derde verwerende partij worden gelegd, elk voor de helft.

4.3. In zoverre de verzoekende partij de definitieve vaststelling van het GRUP voor het overige viseert, moet vastgesteld worden dat deze beslissing al van 26 juni 2014 dateert. De verzoekende partij heeft er reeds op 17 februari 2015 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring tegen ingediend (zie randnummer 3.3). In zoverre is het beroep dan ook onontvankelijk ratione temporis. Het betoog in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij dat de tweede bestreden beslissing haar “pas op 2 mei 2019 [werd] meegedeeld”, doet niet anders besluiten. De desbetreffende excepties van de eerste en de tweede verwerende partijen zijn gegrond.

 

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De tweede en de derde verwerende partij worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juni tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter,
bijgestaan door
Frank Bontinck, griffier.
De griffier De voorzitter
Frank Bontinck Stephan De Taeye