Print

Raad van State - Arrest nr. 247.609 van 20 mei 2020 - Beroep tot nietigverklaring - Tuchtprocedure

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
247.609
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
woensdag 20 mei 2020
Samenvatting

-

Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 247.609 van 20 mei 2020 
in de zaak A. 217.259/X-16.389
 
In zake: GEMEENTE KORTENAKEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bert Beelen
kantoor houdend te 3000 Leuven
Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door
de Vlaamse regering en de beroepscommissie voor tuchtzaken
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
Tussenkomende partij:
 
XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Jan Aerden en Peter Roosens
kantoor houdend te 3000 Leuven
Arnould Nobelstraat 40/0102
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 12 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van de “beslissing van de Beroepscommissie voor tuchtzaken van 12 augustus 2015, waarbij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenaken van 9 februari [2015] houdende het opleggen aan [de tussenkomende partij] van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege, wordt vernietigd”.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
 
XXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 juni 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
 
Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld.
 
Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 januari 2020.
 
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
 
Advocaat Theodorus Kappetijn, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor verzoekster, advocaat Veele Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan Aerden, die
verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
 
Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3. Op 30 januari 2014 legt de tussenkomende partij, bibliotheekassistente bij verzoekster, een met redenen omklede klacht neer bij de preventieadviseur psychosociale aspecten (Premed) tegen V. W., voor feiten van pesterijen, verbaal en fysiek geweld, en ongewenst seksueel gedrag.
 
In zijn verslag van 29 april 2014 over de klacht, gaat Premed over tot een analyse van de situatie tussen de tussenkomende partij en V. W. Primaire factoren die “van belang zijn geweest bij het ontstaan en de instandhouding van de huidige situatie” zijn de gedragsstijl van de tussenkomende partij en de omgangsstijl van V. W. Geconcludeerd wordt tot ongewenst seksueel gedrag inzake het verbale luik, en tot verbaal geweld en pesterijen op het werk vanwege V. W. tegenover de tussenkomende partij.
 
Na kennisneming van het verslag beslist het college van burgemeester en schepenen van verzoekster op 5 mei 2014 om V. W., die contractueel in dienst is, om dwingende redenen met onmiddellijke ingang te ontslaan. Wat de tussenkomende partij betreft, wordt uit het verslag geconcludeerd “dat ook zij tijdens de werkuren een aantal handelingen heeft gesteld die moeten beschouwd worden als zware fouten die een verdere professionele samenwerking in het gedrang brengen”, en wordt besloten tegen haar een tuchtprocedure te beginnen.
 
In zijn tuchtverslag van 13 mei 2014 stelt de gemeentesecretaris, tuchtonderzoeker, voor om de tussenkomende partij het ontslag op te leggen.
Omdat “het tuchtverslag een onvoldoende onderzoek inhoudt nopens de ten laste gelegde feiten” beslist het college van burgemeester en schepenen op 9 oktober 2014 om de tuchtonderzoeker ermee te gelasten “verder diepgaand onderzoek te verrichten” en “een nieuw tuchtverslag op te maken”.
 
Ook in het bijkomend tuchtverslag van 17 november 2014 wordt voorgesteld de tussenkomende partij met het ontslag te bestraffen.
 
Finaal legt het college van burgemeester en schepenen op 9 februari 2015 aan de tussenkomende partij de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op om reden van de volgende feiten:
 
“1) het herhaaldelijk hebben gesteld van seksuele handelingen tijdens werkuren op de werkvloer,
2) het frequent privébezoek ontvangen tijdens werkuren waarbij dit bezoek werd toegelaten tot de niet-publieke ruimten en toegang kreeg tot niet voor het publiek bestemde computers
3) het veelvuldig bezoeken van sekssites op de pc voor professioneel gebruik en naar alle waarschijnlijkheid voeren van ongepaste privé-emailcorrespondentie
4) hebben trachten uit te vechten van interne (gezag)conflicten door het betrekken van buitenstaanders en oproepen van deze buitenstaanders tot het aanspreken van de gemeente hierover.”
 
Na beroep van de tussenkomende partij hiertegen, vernietigt de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) bij beslissing van 12 augustus 2015 de tuchtstraf van 9 februari 2015.
 
IV. Onderzoek ten gronde
 
A. Vooraf
 
4. De bestreden beslissing tot vernietiging van het ontslag van ambtswege van de tussenkomende partij voert in haar conclusie aan dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure “op een slordige wijze” heeft gevoerd, dat artikel 32tredecies, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de welzijnswet) niet werd nageleefd, en dat “dan ook” de rechten van verdediging geschonden zijn. Verzoekster bestrijdt die motieven in respectievelijk zijn tweede, eerste en derde middel.
 
Tevens wordt in de bestreden beslissing geopperd, in verband met het evenredigheidsbeginsel, dat het ontslag van ambtswege niet op zijn plaats “lijkt”, “vooral” vanwege de argumentatie met betrekking artikel 32tredecies van de welzijnswet. Tegen dat “impliciete” oordeel, aldus verzoekster, is het vierde en laatste middel gericht.
 
5. Volgens de memorie van antwoord is elk van de (vier) motieven van aard om het bestreden besluit te schragen en volstaat de verwerping van één van de middelen om de vordering in haar geheel te verwerpen.
 
Verzoekster werpt (pas) in de laatste memorie tegen dat dit een loutere bewering is, die “door de redactie van (het dictum van) de bestreden beslissing” wordt tegengesproken.
 
6. In het kader van haar beroep bij de beroepscommissie oefent de tussenkomende partij in haar elf bladzijden tellende nota met argumenten vanaf pagina 3 kritiek uit op het verloop van de tuchtprocedure en betwist zij vanaf pagina 9 de tekortkomingen die haar verweten worden. Zij behandelt het argument van de “[s]chending van artikel 32tredecies van de welzijnswet van 4 augustus 1996” in acht regels, onderaan pagina 8, als laatste van haar vele procedurele bezwaren.
 
Het argument wordt niettemin, en opvallend, als eerste behandeld door de beroepscommissie en na een vijf bladzijden lange bespreking gegrond bevonden. Voorts wordt verder in de bestreden beslissing bij herhaling naar die bespreking terugverwezen, meer bepaald om te staven dat het tuchtonderzoek niet grondig gebeurde (p. 16) en dat een ontslag van ambtswege “hier niet op zijn plaats” is (p. 17).
 
De Raad van State is dan ook van oordeel dat de schending van de welzijnswet te beschouwen is als een doorslaggevend motief voor de bestreden beslissing.
 
B. Eerste middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
7. Volgens een eerste middel is de beroepscommissie ten onrechte van oordeel dat artikel 32tredecies, § 1, van de welzijnswet niet werd nageleefd. Haar beslissing is noch materieel noch formeel naar behoren gemotiveerd.
 
In het verzoekschrift wordt in de eerste plaats toegelicht dat de beroepscommissie er ten onrechte van uitgaat dat de bewijslast bij verzoekster lag. Het opstarten van een tuchtprocedure is “geen (nadelige) maatregel” in de zin van artikel 32tredecies van de welzijnswet. De beslissing om het ontslag van ambtswege op te leggen als tuchtsanctie is van 9 februari 2015 en valt daarmee buiten de termijn van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet.
 
Voorts argumenteert verzoekster dat hoe dan ook de bescherming van de welzijnswet niet van toepassing is. De start van de tuchtprocedure is niet gebaseerd op de klacht van de tussenkomende partij, maar op de kennisname van de feiten in het verslag van Premed van 29 april 2014. Het eerste van de vier in aanmerking genomen tuchtfeiten kan nooit deel uitmaken van de klacht van de tussenkomende partij, want verwijst naar haar verklaringen dat zij aanvankelijk met instemming seksueel verkeer had met V. W. De andere in aanmerking genomen tuchtfeiten hebben niets met V. W. en dus niets met de klacht te maken.
 
8. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat de tuchtprocedure niet berust op de klacht van de tussenkomende partij in januari 2014, maar gestart werd in mei 2014 na kennisname van feiten die uit het Premed-verslag bleken. Weliswaar is dat verslag er gekomen naar aanleiding van de klacht van de tussenkomende partij, maar het bevat daarom niet alleen feiten die tot het voorwerp van de klacht behoren. Zo bleek uit het Premed-verslag een hele voorgeschiedenis van promiscue feiten waarover de tussenkomende partij zich nooit heeft beklaagd en die zelfs met haar instemming plaatsvonden. Het is, zo betoogt verzoekster, dus “manifest onjuist” dat zij haar tuchtrechtelijk apparaat in werking stelde nadat zij in kennis kwam van de klacht.
 
9. In de laatste memorie wijst verzoekster erop dat de beroepscommissie haar visie dat het ontslag niet vreemd zou zijn aan de klacht van de tussenkomende partij “louter motiveert omdat [verzoekster] hiertoe niet het tegendeel zou hebben bewezen hetwelk zou moeten omdat de bewijslast bij haar zou liggen”. Voorts meent zij dat de wettelijk bepaalde bewijsregels niet ter zijde mogen worden geschoven en meer bepaald niet de in artikel 32tredecies Welzijnswet bepaalde termijn van twaalf maanden.
 
Beoordeling
 
10. In haar bestreden beslissing acht de beroepscommissie artikel 32tredecies van de welzijnswet geschonden. Onder meer wordt overwogen dat nergens in de tuchtbeslissing van 9 februari 2015 staat vermeld “dat deze beslissing gebaseerd is op feiten die vreemd zijn aan de klacht van [de tussenkomende partij] bij Premed”, dat er wel in wordt verwezen, bij de feiten, naar de klacht bij het parket en de klacht bij Premed, en dat het college van burgemeester en schepenen “niet bewijst dat de tuchtstraf geen reactie is op de klacht”.
 
11. Artikel 32tredecies van de welzijnswet luidt in zijn te dezen toepasselijke versie:
 
“§ 1. De werkgever mag, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring, de arbeidsverhouding van de volgende werknemers niet beëindigen, en hij mag evenmin de arbeidsvoorwaarden van die werknemers op ongerechtvaardigde wijze eenzijdig wijzigen :
1° de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, een met redenen omklede klacht heeft ingediend;
2° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in artikel 80;
3° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de politiediensten, een lid van het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter;
4° de werknemer die een rechtsvordering instelt of voor wie een rechtsvordering wordt ingesteld op grond van dit hoofdstuk;
5° de werknemer die optreedt als getuige doordat hij, in het kader van het onderzoek van de met redenen omklede klacht, in een ondertekend en gedateerd document de feiten die hij zelf heeft gezien of gehoord en die betrekking hebben op de toestand die het voorwerp is van de met redenen omklede klacht, ter kennis brengt van de preventieadviseur of doordat hij optreedt als getuige in rechte.
§ 2. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.”
 
De bepaling strekt ertoe de werknemer te beschermen tegen bepaalde maatregelen van de werkgever in reactie op, onder meer, de klacht die hij indiende bij de preventieadviseur. Of de maatregel een dergelijke reactie is, moet worden uitgemaakt door het voorwerp van de klacht te vergelijken met de motieven waarop de maatregel berust.
 
12. Volgens het besproken middel is de welzijnswet “hoe dan ook” niet geschonden omdat de redenen voor het ontslag van ambtswege dat aan de tussenkomende partij is opgelegd “niets met de klacht te maken [hebben]” en er dus vreemd aan zijn.
 
Dit is minder apert dan verzoekster meent.
 
13. Nadat de tussenkomende partij op 30 januari 2014 tegen V. W. een met redenen omklede klacht indiende bij de preventieadviseur psychosociale aspecten, Premed, wegens pesterijen, verbaal en fysiek geweld, en ongewenst seksueel gedrag, komt Premed in zijn verslag van 29 april 2014 tot de conclusie dat “er evidentie gevonden [kan] worden voor het ongewenst seksuele gedrag inzake het verbale luik”, dat het wat “het fysieke level” betreft moeilijk te geloven is dat er niets is gebeurd tussen de betrokkenen maar dat dit niet formeel bevestigd kan worden, en dat er sprake is van verbaal geweld en pesterijen op het werk.
 
Naar uit dit verslag blijkt, zitten aan de zaak meerdere aspecten die “van belang zijn geweest bij het ontstaan en de instandhouding van de huidige situatie”. Zo is er naast de belangrijke impact van de omgangsstijl van V. W., ook de gedragsstijl van de tussenkomende partij.
 
Het is in essentie deze door het verslag gereveleerde gedragsstijl van de tussenkomende partij die verzoekster ertoe bewogen heeft tegen haar een tuchtprocedure te voeren en haar te ontslaan.
 
14. In de brief van 6 mei 2014 waarmee het college van burgemeester en schepenen de tussenkomende partij van de start van de tuchtprocedure inlicht, heet het dat uit “het vertrouwelijk verslag van Premed dd 29/04/2014, naar aanleiding van de klacht die u op 30/01/2014 formuleerde”, wordt afgeleid dat zij tijdens de werkuren “een aantal handelingen” heeft gesteld “die moeten beschouwd worden als zware fouten die een verdere professionele samenwerking kunnen in het gedrang brengen”.
 
Op de kritiek van de tussenkomende partij dat de brief niet de aard van de feiten vermeldt, wordt namens het college van burgemeester en schepenen op 18 juni 2014 onder meer geantwoord:
 
“Ook de feiten, op grond waarvan de procedure start, zijn u meer dan voldoende gekend: u heeft ze zelf aangegeven ten overstaande van de onderzoekers van Premed en ten overstaande van de politie, die dan ook een onderzoek gestart zijn op grond van alweer de feiten die uzelf heeft aangegeven [...].”
 
In het eerste tuchtverslag verwijst de gemeentesecretaris, tuchtonderzoeker, naar de verklaringen van getuigen die Premed ten gevolge van de klacht van de tussenkomende partij heeft geïnterviewd “over de situatie op de werkvloer” en die de bevestiging inhouden “van wat uit de verklaringen van [de tussenkomende partij en V. W.] kon worden vermoed, namelijk een bloemlezing van herhaaldelijk ongepast en seksueel – wél en soms niet gewenst – gedrag op de werkvloer”. Gewaagd wordt ook van onderlinge en wederzijdse pesterijen tussen de tussenkomende partij en V. W., die zodanig escaleerden dat de eerstgenoemde klacht neerlegde tegen V. W. In de conclusie van het eerste tuchtverslag wordt onder meer vermeld:
 
“Mede door het gedrag van [de tussenkomende partij], die inging op de avances van haar collega en dus ‘het spel meespeelde’, heeft het college het besluit genomen tot het onmiddellijke ontslag van haar collega [V. W.], ingevolge zware professionele fouten. Haar verbaal en fysiek gedrag heeft dus zeer zware gevolgen gehad en zij is daaraan mede schuldig.” Volgens het bijkomende tuchtverslag hebben er zich in de bibliotheek vele feiten en gedragingen voorgedaan die fundamenteel strijdig zijn
met het gedragspatroon dat van een personeelslid verwacht mag worden. Het gaat om feiten die in de eerste plaats uit het Premed-verslag zijn gebleken, onder meer:
- “De langdurige (seks-)relatie tussen [de tussenkomende partij en V. W.] tijdens de werkuren”;
- “Regelmatig bezoek van haar minnaar […] tijdens de werkuren op vaak maandagavond […]”;
- “Onrechtmatig bezoek van seks websites tijdens de diensturen”.
 
Geconcludeerd wordt in het bijkomende tuchtverslag dat de tussenkomende partij zich presenteert als een slachtoffer, maar dat haar klacht niet geloofwaardig is gelet op “de duur, veelvuldigheid en veelzijdigheid van de feiten, de toestemming met de handelingen die er zeker enkele keren geweest zijn, aldus betrokkene zelf, de getuigenverklaringen, de vastgestelde bezoeken aan erotische websites en het onderhouden van erotisch mailverkeer met anderen, kort gezegd het algeheel, onacceptabele promiscue gedrag van betrokkene”.
 
Uiteindelijk wordt de tussenkomende partij ontslagen om reden van de volgende feiten:
 
“1) het herhaaldelijk hebben gesteld van seksuele handelingen tijdens werkuren op de werkvloer,
2) het frequent privébezoek ontvangen tijdens werkuren waarbij dit bezoek werd toegelaten tot de niet-publieke ruimten en toegang kreeg tot niet voor het publiek bestemde computers
3) het veelvuldig bezoeken van sekssites op de pc voor professioneel gebruik en naar alle waarschijnlijkheid voeren van ongepaste privé-emailcorrespondentie
4) hebben trachten uit te vechten van interne (gezag)conflicten door het betrekken van buitenstaanders en oproepen van deze buitenstaanders tot het aanspreken van de gemeente hierover.”
 
15. De eerste drie feiten gaan onmiskenbaar terug op wat in het Premed-verslag wordt toegelicht in verband met de gedragsstijl van de tussenkomende partij, zijnde één van de “elementen” of “factoren” die de preventieadviseur “doorheen het klachtenonderzoek” heeft verzameld en die heten van belang te zijn geweest bij het ontstaan en de instandhouding van “de situatie” tussen de tussenkomende partij en V. W. – uit welke situatie in het verslag finaal wordt besloten tot ongewenst seksueel gedrag (verbaal) en verbaal geweld en pesterijen op het werk jegens de tussenkomende partij.
 
Naar het de Raad van State in de gegeven omstandigheden voorkomt, maken de eerste drie aan de tussenkomende partijen aangerekende feiten deel uit van “de situatie” tussen de tussenkomende partij en V. W. die zodanig escaleerde dat de tussenkomende partij er een klacht bij de preventieadviseur voor indiende.
 
De gedragsstijl van de tussenkomende partij die in deze feiten tot uiting komt, is een facet van de meer vermelde situatie en van het voorwerp van de klacht, dat niet van dit voorwerp kan worden afgescheiden zonder op een artificiële wijze tekort te doen aan de bescherming die de welzijnswet beoogt te verschaffen door te verbieden om de klachtindiener te ontslaan in reactie op de klacht.
 
Verzoekster overtuigt er niet van dat de redenen voor de maatregel tot ontslag van ambtswege vreemd zijn aan de klacht.
 
16. Evenmin, overigens, overtuigt zij ervan dat het niet aan haar toekwam om te bewijzen dat de maatregel niet door de klacht is ingegeven, maar dat het de tussenkomende partij behoorde te bewijzen dat de maatregel wel is ingegeven door de klacht.
 
17. Overeenkomstig artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust de bewijslast bij de werkgever wanneer, binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht, hetzij de werknemer wordt ontslagen, hetzij de arbeidsvoorwaarden – “op ongerechtvaardigde wijze” – eenzijdig worden gewijzigd.
 
Bedoeld is, in het laatste geval, de wijziging “die geen uitdrukking is van de wil om een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst”. Drukt ze wél die wil uit, dan wordt ze reeds verboden door het verbod een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst als vergelding voor de stappen die de werknemer ondernam (zie de memorie van toelichting bij de wet van 28 februari 2014 tot wijziging van de welzijnswet: Parl.St. Kamer 2013-2014, stuk 3101/3102-001, p. 49).
 
18. Te dezen zijn in de periode van twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht meerdere, aan verzoekster toe te rekenen, handelingen vast te stellen die er kennelijk op gericht zijn om tot het ontslag van de tussenkomende partij te komen en die er ook effectief in geresulteerd hebben, op 9 februari 2015.
 
19. Al op 5 mei 2014 besloot het college van burgemeester en schepenen dat blijkens het verslag van Premed van 29 april 2014 niet alleen V. W. tijdens de werkuren handelingen stelde die te beschouwen zijn als zware fouten die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt, maar dat “ook” de tussenkomende partij “handelingen geeft gesteld die moeten beschouwd worden als zware fouten die een verdere professionele samenwerking kunnen in het gedrang brengen”. Het is er de reden van dat tegen haar een tuchtprocedure gestart wordt en de secretaris als tuchtonderzoeker de opdracht krijgt tot het samenstellen van een tuchtdossier en het opstellen van een tuchtverslag. Zowel in het eerste tuchtverslag van 13 mei 2014 als in het bijkomende tuchtverslag van 17 november 2014 wordt door de tuchtonderzoeker voorgesteld de zwaarste tuchtsanctie op te leggen waarin het arbeidsreglement voorziet: het ontslag.
 
Het is in theorie juist, zoals verzoekster betoogt, dat het starten van een tuchtprocedure precies tot doel heeft te onderzoeken of er al dan niet een maatregel moet worden genomen. Het kan evenwel niet beletten dat, in de concrete omstandigheden van deze zaak, de Raad van State de tuchtprocedure tegen de tussenkomende partij leest als de kroniek van een aangekondigd ontslag.
 
Het enkele feit dat tot dit ontslag uiteindelijk pas op 9 februari 2015 is beslist, zijnde de 375ste dag na het indienen van de klacht, sluit niet uit dat te dezen de bewijslast met toepassing van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet ten laste van de werkgever komt, des te minder omdat er anders over oordelen erop zou neerkomen verzoekster te belonen voor de inadequate wijze waarop zij de ontslagprocedure heeft gevoerd – waardoor zij op 9 oktober 2014 moest beslissen dat het tuchtonderzoek werd “hernomen”, dat de tuchtonderzoeker “opnieuw” een tuchtverslag diende neer te leggen en dat de tussenkomende partij “nogmaals” zou worden gehoord.
 
20. Het middel is ongegrond.
 
C. Slotsom
 
21. Uit wat voorafgaat, volgt dat het voor de beroepscommissie decisieve vernietigingsmotief van de schending van de welzijnswet – met betrekking tot drie van de vier tuchtfeiten die de tuchtoverheid in aanmerking heeft genomen – overeind blijft.
 
Het brengt mee dat het onnodig is nog de overige middelen te onderzoeken. Ze betreffen motieven die voorkomen voor de vernietiging van de tuchtstraf door de beroepscommissie overtollig te zijn.
 
Er is bijgevolg reden het beroep in zijn geheel te verwerpen.
 
 
BESLISSING
 
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
 
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
 
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
 
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tussenkomende partij niet bekendgemaakt.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter,
Jan Clement, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad,
bijgestaan door
Frank Bontinck, griffier.