Raad van State - Arrest nr. 247.590 van 19 mei 2020 - Beroep tot nietigverklaring - Linkebeek - Benoeming burgemeester - Schrappen beroep van de rol

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
247.590
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 19 mei 2020
Samenvatting

-

Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
ALGEMENE VERGADERING
 
ARREST
 
nr. 247.590 van 19 mei 2020
in de zaak A. 217.768/Abis-8
 
In zake: 1. Jean-Pascal LE PALLEC
2. Fulvia BARTOLOMUCCI
3. Dario BARTOLOMUCCI
4. François BOURGEOIS
5. Marion DE BECKER
6. Frederic DE BECKER
7. Alain DE PLANTER
8. Xavier DE SCHUTTER
9. Yvonne DESCHEEMAEKER
10. Claudine DIEUDONNÉ
11. Eric FAGEL
12. Annick FLAMME
13. Joëlle GRÜNSPAN
14. Sébastien LEMAIRE
15. Francisca MARTIN PENA
16. Brigitte MATOUL
17. Jérôme RENOTTE
18. Patrick SILBERSCHMIDT
19. Valérie SOMBRYN
20. Edouard VAN HEULE
21. Michèle VAN HOOF
22. Yvon VAN LANCKER
23. Patrice VANDE VELDE
24. Philippe VANDER VELDE
25. Léa VERBIST
26. Catherine VERMER
27. Joëlle WATTICANT
28. Chiara BONUCCI
29. Domenico DEL GRECO
30. Carol ASPINWALL
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Jean-Paul Hordies en Geoffroy de Foestraets
kantoor houdend te 1210 Brussel
Kunstlaan 6
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 7 december 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 4 oktober 2015 tot benoeming van Éric De Bruycker tot burgemeester van de gemeente Linkebeek.
 
Gevraagd wordt, in het opschrift van het verzoekschrift, dat het door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak behandeld zou worden, overeenkomstig artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Eerste auditeur Denis Delvax en auditeur Iris Verheven hebben een verslag opgesteld.
 
De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020.
 
Kamervoorzitter Johan Lust en kamervoorzitter Luc Detroux hebben verslag uitgebracht.
 
Advocaat Jean-Paul Hordies, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
 
Eerste auditeur Denis Delvax en eerste auditeur Iris Verheven hebben een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Rolrecht
 
3. De griffie heeft de verzoekende partijen een eerste keer met een brief van 29 januari 2016 uitgenodigd om het voor hun beroep verschuldigde rolrecht te voldoen. Met een brief van 1 maart 2018, die de verzoekende partijen op 2 maart 2018 hebben ontvangen, zijn zij er een tweede keer toe uitgenodigd en is hun, onder verwijzing naar artikel 46 van het koninklijk besluit van 25 december 2017 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 25 december 2017), gevraagd het rolrecht te voldoen binnen dertig dagen na 1 maart 2018.
 
Geen van de verzoekende partijen heeft het rolrecht betaald.
 
4. Ter verantwoording voeren zij in een brief van 3 mei 2018 aan dat de Raad van State heeft aanvaard dat de betaling van het rolrecht mag gebeuren bij de sluiting van het debat, en wijzen zij erop dat de vereiste om per verzoekende partij en niet per verzoekschrift 200 euro te moeten betalen, strijdig lijkt met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
 
5. Ten gevolge van het vernietigingsarrest nr. 233.609 van 26 januari 2016 gold geen termijn meer voor de kwijting van het rolrecht, zodat die kwijting tot aan de sluiting van het debat kon gebeuren.
 
Het koninklijk besluit van 25 december 2017 heeft daar verandering in gebracht, door in artikel 17 in een betalingstermijn van dertig dagen te voorzien. Wat de zaken betreft die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en waarin het rolrecht nog niet werd gekweten, schrijft artikel 46 van het koninklijk besluit voor dat de partijen het verschuldigde bedrag dienen te betalen binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van het besluit op 1 maart 2018 en dat met betrekking tot de gevolgen bij niet-betaling de bepalingen gelden van het algemeen procedurereglement.
 
De verzoekende partijen zijn hierop door de griffie uitdrukkelijk geattendeerd in het voormelde schrijven van 1 maart 2018.
 
Het argument dat het rolrecht nog bij de sluiting van het debat kan worden betaald, is geheel achterhaald. Dit kan de verzoekende partijen geenszins onbekend zijn.
 
6. Het argument in verband met de vereiste dat zoveel keer het rolrecht moet worden betaald als er verzoekende partijen zijn, is reeds in het arrest van de algemene vergadering nr. 237.723 van 21 maart 2017 onderzocht en verworpen (overweging met randnummer 13 en volgende).
 
Overigens is met het argument nog altijd niet verklaard waarom te dezen het rolrecht zelfs niet één keer vereffend is geworden.
 
7. Ook het betoog van de raadsman van verzoekers, in een e-mail van 2 maart 2020 evenals ter terechtzitting, dat verschillende verzoekers niet meer in de gemeente Linkebeek gedomicilieerd zouden zijn, maar dat het bewijs daarvan nog niet voorhanden is, maakt geen afdoende verontschuldiging uit.
 
De uitleg doet niet ter zake. De uitnodigingen om het rolrecht te betalen zijn regelmatig betekend aan het adres waarop de verzoekers keuze van woonplaats deden.
 
8. De verzoekende partijen voeren geen redenen aan die ervan doen
afzien het ingestelde beroep met toepassing van artikel 46 van het koninklijk
besluit van 25 december 2017 juncto artikel 71, zevende lid, van het algemeen
procedurereglement van de rol te schrappen.
 
BESLISSING
 
1. De Raad van State schrapt het beroep van de rol.
 
2. De verzoekende partijen zijn gezamenlijk een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 mei 2020 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld als volgt:
 
de HH. Roger Stevens, eerste voorzitter van de Raad van State,
voorzitter van de algemene vergadering,
Jacques Jaumotte, voorzitter van de Raad van State,
Johan Lust, kamervoorzitter,
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter,
Geert Debersaques, kamervoorzitter,
Mevr. Colette Debroux, kamervoorzitter,
de heer Imre Kovalovszky, kamervoorzitter,
Mevr. Pascale Vandernacht, kamervoorzitter,
de HH. Luc Detroux, kamervoorzitter,
Carlo Adams, staatsraad,
Bruno Seutin, staatsraad,
Pierre Lefranc, staatsraad,
Jan Clement, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad,
Bert Thys, staatsraad,
Peter Sourbron, staatsraad,
David De Roy, staatsraad,
Mevr. Anne-Françoise Bolly, staatsraad,
Kaat Leus, staatsraad,
de heer Frédéric Gosselin, staatsraad,
Mevr. Patricia De Somere, staatsraad,
Nathalie Van Laer, staatsraad,
de HH. Marc Joassart, staatsraad,
Luc Donnay, staatsraad,
Mevr. Florence Piret, staatsraad,
de heer Raphaël Born, staatsraad,
bijgestaan door
de heer Gregory Delannay, hoofdgriffier.