Raad van State - Arrest nr. 247.405 van 15 april 2020 - Vordering tot schorsing - Tuchtprocedure

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
247.405
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
woensdag 15 april 2020
Samenvatting
 
Het administratief beroep dat verzoeker tegen de beslissing heeft ingesteld, activeerde alleen maar een vernietigingstoezicht - geen hervormingsberoep, waardoor de beroepscommissie de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf zou hebben verworven en geroepen zou zijn de beslissing van de tuchtoverheid over te doen. In de gegeven omstandigheden lijkt het in principe te volstaan dat, ingeval de beroepscommissie het besluit van de tuchtoverheid bijvalt en niet vernietigt, zij verantwoordt waarom zij dat doet, zonder er daarbij toe gehouden te zijn in haar beslissing formeel aandacht te schenken aan, en nader in te gaan op, de argumentatie die verzoeker vóór de tuchtoverheid deed gelden.
Tekst arrest
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
VOORZITTER VAN DE Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 247.405 van 15 april 2020
in de zaak A. 229.768/X-17.631
 
In zake: XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Pascal Lahousse
kantoor houdend te 2800 Mechelen
Leopoldstraat 64
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de
Vlaamse regering en door de beroepscommissie voor
tuchtzaken
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
2. de STAD WERVIK
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Dirk Van Heuven
kantoor houdend te 8500 Kortrijk
Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van de vordering
 
1. De vordering, ingesteld op 27 november 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) van 25 oktober 2019 om de beslissing van 5 mei 2015 waarbij de gemeenteraad van de stad Wervik aan XXX de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag oplegt, niet te vernietigen.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. Het Vlaamse Gewest heeft een nota ingediend.
Met een verzoekschrift van 23 januari 2020 heeft de stad Wervik gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Verzoeker en advocaat Elke Goossens, die loco advocaat Pascal Lahousse verschijnt voor verzoeker en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor het Vlaamse Gewest, zijn gehoord.
Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3.1 Bij besluit van 5 mei 2015 legt de gemeenteraad van de stad Wervik verzoeker, diensthoofd van de technische dienst, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. De bewezen geachte tenlasteleggingen betreffen de aankoop van veiligheidsschoenen op kosten van de stad voor eigen gebruik. Het gaat, eensdeels, om een aankoop van 13 augustus 2014 van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk en, anderdeels, om aankopen van 19 juli 2010 en 30 juli 2012 van respectievelijk vijf paar en vier paar veiligheidsschoenen tegelijk. Elke bestelling heet op zich reeds het ontslag van ambtswege te verantwoorden.
Op beroep van verzoeker vernietigt de beroepscommissie op 5 november 2015 de gemeenteraadsbeslissing. Geoordeeld wordt dat het niet bewezen voorkomt dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn.
Bij arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigt de Raad van State op vraag van de stad Wervik de beslissing van de beroepscommissie. In het arrest wordt overwogen dat de motivering, in de beslissing van de beroepscommissie, van de onwettigheid van het oordeel van de gemeenteraad over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden “wezenlijk beperkt [is] tot een ontkenning van dat bewezen-zijn” en dat de beroepscommissie, die in haar beslissing geen enkele concrete aandacht besteedt aan de elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden, er niet kan van overtuigen dat zij op een zorgvuldige en terechte wijze, en na een grondige studie van het dossier, tot haar zienswijze is gekomen.
 
3.2. Op 8 mei 2019 spreekt de beroepscommissie zich opnieuw uit over verzoekers beroep tegen het hem door de stad Wervik opgelegde ontslag van ambtswege. Dit keer beslist de beroepscommissie om de beslissing niet te vernietigen. Zij overweegt onder meer dat uit het vernietigingsarrest geconcludeerd dient te worden “dat de door de stad Wervik opgelegde tuchtstraf geenszins als niet bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd door de beroepscommissie”.
De beslissing wordt door de Raad van State bij arrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 in haar tenuitvoerlegging geschorst omdat ze een foutieve invulling lijkt te geven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en het administratief beroep van verzoeker op het eerste gezicht niet de zorgvuldige en deugdelijke beoordeling heeft gekregen die vereist is.
 
3.3. Op 25 oktober 2019 beslist de beroepscommissie haar – geschorste – beslissing van 8 mei 2019 in te trekken.
Eens te meer oordelend over het administratief beroep dat verzoeker bij haar instelde, verklaart zij het ontvankelijk maar ongegrond, en bevestigt zij de beslissing van de gemeenteraad van 5 mei 2015 om verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege op te leggen. Deze beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019 is de bestreden beslissing.
 
IV. Precisering van het voorwerp
 
4. Rekening houdend met het belang waarvoor verzoeker opkomt, en met (sommige van) zijn middelonderdelen, is er reden om, naast de beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019 om niet zijn ontslag van ambtswege te vernietigen, ook dat ontslag van ambtswege zelf tot het voorwerp van de vordering te rekenen.
 
Eerder dan de stad Wervik als tussenkomende partij in het geding dient te worden toegelaten, moet zij als verwerende partij worden aangewezen.
 
V. Schorsingsvoorwaarden
 
5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring.
 
VI. Voorwaarde van een ernstig middel
 
Standpunt van verzoeker
 
6. Een enig middel is afgeleid uit “Schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 245.597 dd. 01.10.2019 van de Raad van State, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen[, van het] materiëlemotiveringsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het principe van het vermoeden van onschuld in tuchtzaken”.
 
In een eerste onderdeel verwijt verzoeker de beroepscommissie een motiveringsgebrek. Ingaand tegen het gezag van gewijsde van, en de “duidelijke boodschap” in, het arrest van de Raad van State nr. 245.597 van 1 oktober 2019, laat de beroepscommissie na “om in haar beslissing ook maar enige concrete aandacht te geven aan de elementen die verzoeker in zijn uitvoerige motivering deed gelden, zodat […] gesteld dient te worden dat de Beroepscommissie ten onrechte zich heeft beperkt tot het bevestigen van het bewezen zijn van de aankoop voor privédoeleinden”.
 
In een tweede onderdeel geeft verzoeker “een overzicht van de door de stad Wervik aangebrachte overeenstemmende vermoedens en de weerleggingen uit het dossier”. Hij betoogt dat zijn “weerleggingen” “onomstotelijk aan[tonen] dat de tuchtoverheid op basis van geen enkele van de aangehaalde overeenstemmende vermoedens op een redelijke of anderszins wettelijke wijze kan oordelen dat het tuchtfeit, met name het privégebruik of het bestemd zijn voor privégebruik van veiligheidsschoenen, bewezen is”. In deze “weerleggingen”, die meer dan veertien bladzijden beslaan, doet hij, samengevat, gelden:
 
- Niet drie, maar slechts twee bestellingen gebeurden tijdens de vakantie van personen met controlemogelijkheden, en dat is “puur toeval” en “doet weinig ter zake”.
- Voor het hoge aantal aangekochte veiligheidsschoenen en de bestelling van meerdere paren tegelijk bestaat een uitleg. Door verschillende modellen te kopen wordt het probleem omzeild dat het niet mogelijk is de schoenen te passen en dat
sommige aangekochte modellen dus te groot of te klein kunnen zijn. Tevens “konden” “anderen ook […] gebruik maken van de schoenen”.
- Het is niet correct dat de levensduur van een veiligheidsschoen in het geval van verzoeker twee tot drie jaar of langer bedraagt. Dat houdt geen rekening met “het feit dat verzoeker de schoenen op het werk continu droeg”.
- Het feit dat (een deel van) de schoenen het uitzicht van gewone schoenen benaderden, wordt hierdoor verantwoord dat verzoeker vrijwel alle dagen zowel op de werken op het terrein kwam als bureauwerk uitoefende. “[Om] niet steeds
van schoenen te moeten wisselen verkoos verzoeker om veiligheidsschoenen te dragen die pasten om zowel op het bureau als op het terrein te dragen.”
- Het is ten onrechte dat alle verklaringen in het voordeel van verzoeker, door de tuchtoverheid ofwel genegeerd werden ofwel als ongeloofwaardig zijn bestempeld.
 
In een derde onderdeel, met als opschrift “Onredelijkheid van de bestreden beslissing van de Beroepscommissie van 25 oktober 2019”, doet verzoeker in essentie gelden dat indien de beroepscommissie in de toekomst opnieuw zou beslissen, op grond van de vermoedens die de gemeenteraad aanvoert en niettegenstaande de uitgebreide argumentatie van verzoeker, dat de gemeenteraad redelijk of anderszins wettelijk heeft gehandeld, er reden zou zijn om die toekomstige beslissing opnieuw te laten vernietigen.
 
Verzoeker bekritiseert in een vierde onderdeel de tegenstrijdigheid tussen, eensdeels, de eerste beslissing van de beroepscommissie van 5 november 2015 en, anderdeels, de bestreden – derde – beslissing:
“Het kan niet dat de Beroepscommissie met haar eerste besluit vindt dat de stad Wervik onredelijk heeft gehandeld en in een derde besluit stelt dat stad Wervik ‘binnen de krijtlijnen van de redelijkheid kon beslissen dat de feiten bewezen zijn’
– met andere woorden niet onredelijk heeft gehandeld.”
 
Een vijfde onderdeel heet “Diversen over van de beslissing van de Beroepscommissie van 25 oktober 2019”. Verzoeker bestrijdt erin twee vermeldingen op bladzijde 5 van de beslissing van 25 oktober 2019, een eerste in verband met een verzoek om een sleutel van de conciërgewoning bij te maken, en een tweede in verband met de procedure die is voorgeschreven voor een aankoop van schoenen.
 
Een zesde onderdeel ten slotte – “Meer van de motivatie van verzoeker in diverse stukken van het dossier” – is beperkt tot een verwijzing naar acht stukken “die alle deel uitmaken van het dossier”. Er moet uit blijken “dat de stad Wervik bijzonder onredelijk of anderszins onwettig handelde en dat verzoeker geen tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen aflegde”.
 
Beoordeling
 
7.1. In het arrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 oordeelde de Raad van State, in het kader van een vordering tot schorsing, dat de beroepscommissie na het arrest van de Raad van State nr. 243.163 van 6 december 2018 verplicht is tot een nieuwe uitspraak over het administratief beroep dat verzoeker tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 instelde, waarbij zij niet haar eigen oordeel geeft over het al dan niet bewezen zijn van de tuchtfeiten die tegen verzoeker in aanmerking werden genomen, maar waarbij zij, aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden, beoordeelt of de zienswijze hierover van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, is gebleven.
 
Dat lijkt, op het eerste gezicht, precies wat de beroepscommissie in haar beslissing van 25 oktober 2019 heeft gedaan. Zij overwoog:
“Opdat een tuchtfeit rechtmatig als bewezen kan worden beschouwd, moeten voldoende gegevens voorhanden zijn om naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, te mogen aannemen dat het personeelslid het tuchtfeit heeft gepleegd. Ook vermoedens, waarbij gevolgtrekkingen worden afgeleid uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten, kunnen het bestaan van een tuchtfeit staven. De gemeenteraad heeft gemeend dat de bestelling door XXX opn13 augustus 2014, 19 juli 2010 en 30 juli 2012, op kosten van de stadnWervik, van meerdere paren veiligheidsschoenen die in werkelijkheid voor,privégebruik bestemd zijn, als bewezen in aanmerking […] mogen worden genomen op grond van een zeer uitvoerige redengeving. Daarin wordt onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestellingen werden geplaatst op een ogenblik dat de controle geringer was, tijdens de grote vakantie en de vakantie van de financieel beheerder, met het abnormale aantal aangekochte veiligheidsschoenen, met de bestelling van meerdere paren tegelijk terwijl dat niet door de functie van XXX verantwoord wordt en de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie twee tot drie jaar of langer is, met het feit dat het om lage veiligheidsschoenen gaat die het uitzicht van gewone schoenen benaderen, met de eigen verklaringen van XXX die onjuist of ongeloofwaardig zijn. De beroepscommissie komt tot de bevinding dat rekening houdende met deze diverse elementen, de gemeenteraad binnen de krijtlijnen van de redelijkheid kon beslissen dat de feiten bewezen zijn. De beroepscommissie komt tot de bevinding dat bijaldien het tuchtbesluit op een materieel draagkrachtige grond berust.”
 
Vooralsnog blijkt niet dat de beroepscommissie het gezag van gewijsde of de “boodschap” van de arresten met nrs. 245.597 en 243.163 heeft geschonden door onvoldoende concrete aandacht te hebben besteed aan de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden.
 
7.2. In zoverre verzoeker zich in het eerste middelonderdeel erover beklaagt dat de beroepscommissie “niet eens de moeite [heeft] gedaan om de talrijke stukken uit het dossier met ingeroepen argumenten van verzoeker te analyseren” en in gebreke is gebleven “in haar beslissing ook maar enige concrete aandacht te geven aan de elementen die verzoeker in zijn uitvoerige motivering deed gelden”, lijkt hij wezenlijk te refereren aan de argumentatie die hij voor de tuchtoverheid deed gelden.
 
Die argumentatie is door de tuchtoverheid in haar beslissing van 5 mei 2015 op beredeneerde wijze verworpen. Het administratief beroep dat verzoeker tegen deze beslissing heeft ingesteld, activeerde alleen maar een vernietigingstoezicht – geen hervormingsberoep, waardoor de beroepscommissie de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf zou hebben verworven en geroepen zou zijn de beslissing van de tuchtoverheid over te doen.
In de gegeven omstandigheden lijkt het in principe te volstaan dat, ingeval de beroepscommissie het besluit van de tuchtoverheid bijvalt en niet vernietigt, zij verantwoordt waarom zij dat doet, zonder er daarbij toe gehouden te zijn in haar beslissing formeel aandacht te schenken aan, en nader in te gaan op, de argumentatie die verzoeker vóór de tuchtoverheid deed gelden.
Kan het in bepaalde gevallen, afhankelijk van (het soortelijk gewicht van) de bezwaren die in het administratief beroep werden aangevoerd, mogelijk anders zijn, vooralsnog lijkt de uiteenzetting van verzoeker in het besproken eerste middelonderdeel te vaag en onprecies te blijven om te doen aannemen dat hij in een dergelijk geval verkeert.
 
8.1. In de bestreden tuchtstraf van 5 mei 2015 concludeert de gemeenteraad dat verzoeker op kosten van de stad meerdere paren veiligheidsschoenen heeft aangekocht die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn. Zowel de bestelling van 13 augustus 2014 als die van 19 juli 2010 en 30 juli 2012 verantwoorden volgens de gemeenteraad “elk op zich” het ontslag van ambtswege.
De gemeenteraad komt tot die conclusie op grond van een geheel van elementen, na een op het eerste gezicht minutieus onderzoek en uitvoerige beantwoording van verzoekers verweer:
“A.1. De aankoop van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 13 augustus 2014
[…]
Door de betrokkene wordt niet betwist dat hij op 13 augustus 2014, op een ogenblik dat de financieel beheerder, de stadssecretaris en de schepen van financiën en van openbare werken (betreft sinds 01/01/2013 één en dezelfde persoon) op verlof waren, tegelijk vier paar veiligheidsschoenen heeft aangekocht.
Tijdens het verhoor op 06 november 2014 (stuk C1) stelde betrokkene dat de schoenen ook waren bestemd voor [F. B.], technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst. Beide heren ontkennen dit (bijlage C3 en C6). Zij bestellen geen veiligheidsschoenen via XXX. Deze bewering werd niet herhaald in de verweernota (‘conclusie’), neergelegd tijdens de hoorzitting van 31 maart 2015. Het staat zodoende vast dat XXX de bestelling van 13 augustus 2014 van vier paren veiligheidsschoenen tegelijk voor eigen gebruik heeft geplaatst.
De bestelling van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk wordt niet verantwoord door de functie van XXX, waarbij slechts sporadisch werven worden bezocht.
De gemeenteraad wijst op volgende bezwarende elementen:
- De bestellingen werden geplaatst buiten de geëigende procedure om. In het verslag van de stadssecretaris wordt toegelicht dat voor veiligheidsschoenen, net als voor alle veiligheidsmateriaal, de preventieadviseur van de stad de bestellingen plaatst om er zorg voor te dragen dat deze in overeenstemming zijn met de regels inzake welzijn op het werk (KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen). In concreto betekent dit dat alle aankopen van veiligheidsmateriaal moeten gebeuren via preventieadviseur [R. V.]. Deze procedure wordt ook voorgeschreven door het KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (o.a. artikel 10 en 13) (bijlage A6). XXX blijkt de procedure voor de aankoop van veiligheidsmateriaal te kennen (stuk H1). Als diensthoofd van de technische dienst wordt van hem verwacht om het goede voorbeeld te geven en de procedure te respecteren.
- De bestelling werd geplaatst op een ogenblik dat de financieel beheerder en de schepen van financiën afwezig waren. Nochtans bleek uit de foto die werd genomen op het ogenblik van het verhoor door de stadssecretaris met XXX van 06 november 2014 (stuk C1) dat XXX op dat ogenblik nog veiligheidsschoenen droeg van een vroegere bestelling, zodat er geen enkele hoogdringendheid was om de bestelling alsdan te plaatsen.
- Hiernavolgende verklaringen van XXX met betrekking tot de bestelling van 13 augustus 2014 zijn ofwel zonder meer onjuist, ofwel ongeloofwaardig. De bewering tijdens het verhoor van 06 november 2014 dat hij ook zou besteld hebben voor [F. B.],
technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst (stuk C1) is niet correct. Beide heren ontkennen dit formeel (stukken C3 en C6). In de latere verweernota/conclusie van [V.] van 31 maart 2015 heet het, vaag, dat een (aantal) paar schoenen die besteld werden ‘konden worden gebruikt door diverse mensen’. Precies hoeveel schoenen door XXX voor precies wie zouden besteld zijn, wordt niet gezegd door XXX. Meer in het bijzonder wordt niet aangegeven welke van de 4 paar schoenenparen van de bestelling van 13 augustus 2014 voor derden bestemd zouden zijn. Het hoeft geen betoog dat niet iedereen dezelfde schoenmaat heeft. Aldus is dit verweer niet enkel onbewezen, maar ook ongeloofwaardig. In dezelfde verweernota/conclusie wordt gesteld door XXX dat van de vier paar van de bestelling van 13 augustus 2014 er ‘drie paar [werden] teruggevonden op de zolder van de technische dienst en één paar werd gedragen door concluant’. In werkelijkheid
blijkt dat de schoenen die XXX droeg op 06 november 2014 (stuk C9) wel degelijk uit een vorige bestelling kwamen, en dat deze schoenen daarenboven nog in zeer goede staat waren. De schoenen die hij op dat ogenblik droeg, zijn van het type Jalgalaad
uit de bestelling van 2010 of 2012 en die zijn op dit ogenblik niet meer verkrijgbaar op de website van leverancier Vandeputte. In tegenstelling tot zijn bewering werden er op 06 november 2014 slechts TWEE paar en geen drie paar nieuwe veiligheidsschoenen aangetroffen op de zolder. Aldus waren er op 06 november 2014 TWEE paar nieuwe veiligheidsschoenen spoorloos. In zijn mail aan de leden van de gemeenteraad en het schepencollege van 12 november 2014 (stuk H1) beweert  XXX dat ‘de aanleiding van de bestelling was het feit dat eind juli een scheur in de zool van mijn veiligheidsschoenen was opgetreden, waardoor er water in een schoen binnenkwam …’ terwijl dat hij niettegenstaande deze bewering toch nog ‘oude’ en allesbehalve versleten veiligheidsschoenen droeg op 06 november 2014 (stuk C9).[foto]
XXX antwoordde op vraag 11 van de stadssecretaris (bijlage C1) dat hij niet eerder veiligheidsschoenen heeft aangekocht (‘ik geloof van niet’), terwijl blijkt dat in de periode tussen 2010 en 2014 niet minder dan 13 paar veiligheidsschoenen werden aangekocht (bundel E), telkens zonder de wettelijke procedure via de preventieadviseur te volgen. Het verweer van en namens XXX kan niet overtuigen.
- Van een verjaring aangaande de betwiste bestelling van 13 augustus 2014 kan geen sprake zijn omdat binnen een termijn van 6 maanden na het tuchtfeit (de aankoop van vier paar veiligheidsschoenen op 13 augustus 2014) en dus ook na kennisname van dit specifieke tuchtfeit (door de nota van de financieel beheerder van 08 oktober 2014) werd beslist tot opstart van de tuchtprocedure, met name met beslissing van de gemeenteraad van 04 november 2014.
- De bewering als zou de procedure via de veiligheidsadviseur stroef verlopen en er geen voorraadbeheer is, zodat als er schoenen nodig zijn er maanden moet worden gewacht tegen dat ze geleverd zijn, kan de handelswijze van XXX niet verantwoorden. Als diensthoofd van de technische dienst heeft hij een voorbeeldfunctie en, kennis hebbende van de procedure, moet zeker hij de procedure naleven. Komt daarbij dat de preventieadviseur [R. V.] tijdens zijn verhoor op 06 november 2014 (stuk C4) verklaart dat slechts bij uitzondering veiligheidsschoenen worden aangekocht zonder zijn tussenkomst en dat XXX hem nooit heeft gevraagd om dergelijke schoenen voor hem aan te kopen. Tenslotte blijkt noch uit het tuchtdossier, noch uit het verweer van XXX dat deze laatste ooit zijn beklag heeft gemaakt over het functioneren van de [R. V.] of deze laatste heeft aangespoord om zijn werking te verbeteren.
- Dat slechts 5 paar veiligheidsschoenen die de laatste 5 jaar werden aangekocht door XXX op kosten van de stad Wervik ‘het uitzicht van gewone schoenen benaderen’ wordt tegengesproken door hiernagaande foto’s die allen geput zijn uit het tuchtdossier (stuk A11). [foto’s]
De waarheid is dat alle 13 paar lage veiligheidsschoenen die XXX heeft aangekocht – dus ook de vier paar van 13 augustus 2014 – het uitzicht hebben van gewone schoenen en perfect gebruikt kunnen worden voor dagdagelijks gebruik. Het wordt niet betwist dat alle schoenen die op 13 augustus 2014 werden besteld de schoenmaat van XXX betreffen.
- In de conclusie wordt gesteld dat er niet het minste bewijs is dat XXX de schoenen privé zou hebben gebruikt. Er is vooral geen enkel bewijs dat XXX de vier schoenenparen die hij heeft besteld op 13 augustus 2014 voor professionele noodwendigheden nodig had of (tot op vandaag) zelfs maar heeft gebruikt. De normale gebruiksduur van dergelijke veiligheidsschoenen die slechts occasioneel worden gebruikt, spreekt dit tegen. Gezien het paar schoenen dat XXX droeg op 06 november 2014 - dus schoenen uit een vorige bestelling - nog in zeer goede staat waren, kan de aankoop van niet minder dan vier paar nieuwe schoenen tegelijk voor professioneel gebruik niet verantwoord worden.
- Het is juist dat geen klacht werd neergelegd wegens diefstal van overheidsmateriaal. Er bestaat in hoofde van de tuchtoverheid geen verplichting om strafklacht neer te leggen. Soms heeft een strafklacht een vertragende werking op een tuchtprocedure, terwijl thans de feiten voor zich spreken. Komt daarbij dat de gemeenteraad de mening toegedaan is dat de tuchtsanctie een voldoende straf is in hoofde van betrokkene. De eerste tenlastelegging is gegrond voor wat betreft het aankopen van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk, dit tijdens het verlof van de financieel beheerder en de schepen van financiën & openbare werken, en buiten de voorziene procedure via de preventieadviseur om. Slechts twee paar van deze veiligheidsschoenen werden teruggevonden in het magazijn, in een kartonnen doos die zich niet bevond op de gebruikelijke stockeringsplaats. Deze vier paar veiligheidsschoenen zien eruit als gewone schoenen en moeten voor het grootste deel worden beschouwd als privé-uitgaven die worden verhaald op de stad en ontegensprekelijk kunnen beschouwd worden als het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Hierna zal worden betoogd dat enkel de bestelling van 13 augustus 2014 alleen al de tuchtsanctie ambtshalve verantwoordt. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.1. door betrokkene niet weerlegd wordt.
A.2. De aankoop van vijf paar veiligheidsschoenen tegelijk op 19 juli 2010 en van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 30 juli 2012.
Uit het tuchtonderzoek is gebleken dat in de jaren voorafgaandelijk de bestelling van 13 augustus 2014, nog negen andere paren veiligheidsschoenen werden aangekocht door XXX (stukken E1 en E2).
Vastgesteld wordt dat:
- Ook deze lage veiligheidsschoenen er precies uit zien als gewone schoenen (stuk A11) [foto’s]
De veiligheidsschoenen die XXX aanhad op 6 november 2014 (stuk C9) zijn van het type Jalgalaad, en perfect te gebruiken als woon- en werkschoenen.
- De geëigende procedure, met name met betrokkenheid van de preventieadviseur, voor geen enkele van de bestellingen werd gevolgd.
- De omstandigheid dat één paar schoenen schoenmaat 41 heeft, terwijl alle andere twaalf paar schoenen de schoenmaat van XXX hebben, levert noch rechtstreeks [noch] onrechtstreeks een bewijs op van de bewering van XXX als zouden sommige schoenen voor andere mensen zijn. Ten eerste weet XXX niet aan te tonen voor wie welke schoenen besteld zouden zijn. Ten tweede is ook schoenmaat 44 zeer courant, en werd die nochtans nooit door XXX aangekocht. Ten derde blijken deze schoenen nergens terug te vinden (dan tenzij aan de voeten van XXX).
Ten vierde:
alhoewel XXX schoenmaat 42 (tienmaal [aankocht]) en soms schoenmaat 43 (tweemaal [aankocht]) draagt, gebeurt het af en toe dat schoenen met schoenmaat 41 zo groot zijn dat ze ook kunnen gebruikt worden door iemand met schoenmaat 42.
- De omschrijving van de aankoopprocedure in de verweernota/conclusie van mr. Wim Vandenbussche correct beschreven is. Het is echter XXX zelf die als diensthoofd van de technische dienst de aanvraag tot bestelbon moest tekenen (of deze bestelbon nu van hem uitging dan wel van iemand anders van de dienst). Vervolgens wordt de bestelbon opgemaakt en getekend door een lid van het College van Burgemeester en Schepenen (Schepen van financiën of diens vervanger) als kennisname. Op deze groepsbestelbon staat de bestemmeling van de veiligheidsschoenen niet vermeld, evenmin als op de aanvraag tot bestelbon. Na goedkeuring van de bestelbon wordt deze enkele dagen later, door de financiële dienst, die onder leiding van de financieel
beheerder staat, verwerkt en terug overgemaakt aan de betrokken dienst om de bestelling te plaatsen. Bij ontvangst van de factuur wordt vooral gecontroleerd of er een match is met de bestelbon. Bij deze gelegenheid werden de facturen afgetekend door XXX. Op deze facturen staat al evenmin voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn. Uit hetgeen vooraf gaat blijkt dat XXX als leidinggevende van de technische dienst een zeer belangrijke rol speelt in het toezicht. De adviesrol van de preventieambtenaar werd niet gerespecteerd. Het toezicht van de financieel beheerder op de bestelbonnen werd uitgeschakeld door de aanvragen in diens verlof in te dienen. Hieruit volgt de conclusie dat XXX doelbewust de bestellingen voor veiligheidsschoenen heeft geplaatst op het ogenblik dat de controle geringer was. Een vakantieperiode waar de eigen schepen van openbare werken en vooral de financieel beheerder afwezig zijn, was voor hem blijkbaar telkenmale het meest geschikte moment. Het kan geen toeval zijn dat de schoenen telkens werden besteld in het groot verlof en tijdens het verlof van de financieel beheerder. Omdat noch uit de bestelbonnen, noch uit de facturen precies blijkt voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn, kan de stelling van [V.] als zou ter gelegenheid van de administratieve verwerking van de bestellingen en van de facturen het tuchtfeit automatisch opgemerkt moeten worden, niet gevolgd worden. Het is de aanvraag via de preventieadviseur en de controle door de financieel beheerder vooraleer de bestelbonnen worden verstuurd (benevens door het diensthoofd van de technische dienst zelf) die het meest doeltreffend zijn en door XXX bewust ontlopen werden. In werkelijkheid is het pas naar aanleiding van de verdachte aankoop van 13 augustus 2014 dat aan de stadssecretaris werd gevraagd om te onderzoeken of er ook eerdere verdachte aankopen waren (ondermeer van veiligheidsschoenen) en dat gericht kon worden vastgesteld of er sprake is van overmatige en verdoken aanvragen. Het is door de e-mail dd. 01 september 2014 van de onthaalbediende (stuk A5) met de melding dat er een doos met schoenen in het stadhuis werd geleverd zonder dat de bestemmeling op het pakket was vermeld, die de aandacht trok van de financieel beheerder. De aflevering van de schoenen op het onthaal en niet op de technische dienst leidde tot de vraag via mail voor wie dit pakket bestemd was. Dit was meteen ook de aanleiding dat deze bestelling
nader werd onderzocht en gesignaleerd werd aan het college van burgemeester en schepenen, aangezien het hier toch om een eigenaardige levering ging.
Het verjaringsargument wordt verworpen.
- Aan XXX niet wordt ontzegd dat hij af en toe een paar veiligheidsschoenen voor zichzelf aankoopt (via de geëigende procedure). Het is de abnormale hoegrootheid van het aantal aangekocht[e] veiligheidsschoenen die duidelijk maakt dat de heer
XXX op kosten van de stad Wervik zichzelf een uitgebreide schoenencollectie veroorloofde. In dit verband wordt verwezen naar het tuchtdossier waarin aangegeven wordt dat de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie minstens 2-3 jaar of langer is (zie de verklaringen gevoegd als stuk D3 van het tuchtdossier). Een en ander wordt ook in de feiten bewezen. De veiligheidsschoenen die XXX droeg op 6 november 2014 bleken van het type Jalgalaad te zijn, die werden besteld in 2010 of 2012. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.2. door betrokkene niet weerlegd wordt.
Om deze redenen, alsook om de redenen die werden uiteengezet met betrekking tot de aankoop van 13 augustus 2014 wordt de eerste tenlastelegging evenzeer bewezen geacht voor de op 19 juli 2010 en 30 juli 2012 gestelde veiligheidsschoenen. Het betreft telkenmale bestellingen geplaatst tijdens of net voor het verlof van de financieel beheerder (de verwerking en controle gebeurt pas na het college) van een (gezamenlijk) onverantwoord aantal lage veiligheidsschoenen die eruitzien als gewone
schoenen waarvan minstens het grootste deel moet beschouwd worden als privé-uitgaven die worden verhaald op de stad Wervik en het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Ook deze aankopen van 2010 en 2012 verantwoorden elk op zich het ambtshalve ontslag (zie verder).”
 
8.2. In een tweede onderdeel van het enige middel betwist verzoeker dat de tuchtfeiten bestaan of bewezen zijn, in essentie door, vijftien bladzijden lang, hele passussen uit zijn verweer met betrekking tot het bestaan van de tuchtfeiten te herhalen. In een zesde middelonderdeel beperkt hij zich er zelfs toe louter te verwijzen, zonder meer, naar eerdere stukken waarin “verzoeker al uitgebreid zijn verdediging [heeft] uiteengezet”. Dit getuigt op het eerste gezicht van een misvatting. Evenmin als verzoeker van de beroepscommissie mag verwachten dat zij, in het kader van de uitoefening van haar vernietigingstoezicht, de beslissing van de tuchtoverheid overdoet, lijkt het de Raad van State toe te komen om, zich in de plaats van de tuchtoverheid stellend, zelf de precieze toedracht van de feiten na te gaan, of om naar eigen inzicht uit te maken of de feiten die tegen verzoeker worden ingebracht, al dan niet voldoende bewezen en als een tuchtfeit te kwalificeren zijn. Als wettigheidsrechter reikt de bevoegdheid van de Raad van State in dit verband niet verder dan om, desgevraagd, na te gaan of de tuchtoverheid regelmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen en of die tuchtoverheid, uitgaande van de feitelijke gegevens die zij vaststelde, de feiten naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, als tuchtvergrijpen heeft beschouwd.
 
8.3 Welnu, verzoeker kan er ten minste in de huidige stand van de procedure niet van overtuigen dat de tuchtoverheid onrechtmatig heeft gehandeld en meer bepaald zijn verweer onwettig heeft afgewezen. Daarvoor volstaat immers niet om dat verweer op het eerste gezicht alleen maar te reproduceren en de Raad van State om een second opinion erover te vragen.
 
8.4. Louter volledigheidshalve stelt de Raad van State voorlopig ook vast:
- dat volgens de tuchtstraf reeds de bestelling van 13 augustus 2014 “alleen al” de opgelegde tuchtsanctie verantwoordt;
- dat het ogenschijnlijk niet betwist is dat die bestelling gebeurde tijdens de vakantie van personen met controlemogelijkheden en buiten de voorgeschreven betrokkenheid van de preventieadviseur om;
- dat een bestelling van vier paar schoenen – bovenop al de eerder bestelde schoenen, waarvan verzoeker er op 6 november 2014 nog een paar bleek te dragen – niet meteen normaal lijkt, des te minder gelet op zijn verklaringen ter zake;
- dat meer bepaald de uitleg van verzoeker dat hij de schoenen ook voor F. B. en A. S. besteld zou hebben, door hen ontkend wordt en dus niet correct blijkt, en dat de erg vrijblijvende “terugval”-uitleg die vervolgens wordt gegeven – namelijk dat
anderen de schoenen “konden” (mochten) gebruiken – inderdaad ongeloofwaardig overkomt;
- dat de schoenen die verzoeker op 13 augustus 2014 kocht wel degelijk het uitzicht van gewone schoenen hebben;
- dat verzoeker op 6 november 2014 nog schoenen blijkt te dragen uit een vorige bestelling van 2010 of 2012, en dat ze “allesbehalve versleten” en “in zeer goede staat” zijn, wat op het eerste gezicht indicatief mag heten in verband met de
gebruiksduur van de veiligheidsschoenen en het effectieve gebruik ervan door verzoeker.
 
8.5. Ten minste in de huidige stand van zaken meent de Raad van State dat het tweede en zesde middelonderdeel er niet van kunnen overtuigen dat de tuchtoverheid in haar beslissing van 5 mei 2015 onrechtmatig heeft geoordeeld over voldoende gegevens te beschikken om te concluderen dat verzoeker de schoenen niet voor professionele doeleinden nodig had en dat hij zich schuldig maakte aan het “aanleggen van een private schoenengarderobe op kosten van de stad Wervik”.
 
9. Een derde middelonderdeel lijkt betrekking te hebben op een toekomstige beslissing die beweerdelijk even onwettig zou zijn als de bestreden beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2020. De eventuele onwettigheid van een onbestaande, hypothetische, beslissing lijkt niet van aard een ernstig middel tegen de bestreden beslissingen te kunnen opleveren.
 
10. Wat het vierde middelonderdeel betreft, kan de Raad van State vooralsnog geen onverenigbaarheid vaststellen tussen, enerzijds, de bestreden beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2020 en, anderzijds, de zienswijze van de beroepscommissie in een eerdere beslissing van 5 november 2015, die door de Raad van State bij arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 retroactief vernietigd is geworden. Door de vernietiging moet op het eerste gezicht in rechte worden
gehandeld alsof de beslissing van 5 november 2015 nooit heeft bestaan. Bovendien is die beslissing juist vernietigd geworden omdat ze op een onzorgvuldige en foutieve zienswijze berustte.
 
11.1. In een vijfde middelonderdeel betwist verzoeker in de eerste plaats de juistheid van de volgende vermelding in de beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019:
“Op 1.7.2015 verklaart [D. D.] nogmaals schriftelijk dat XXX hem nooit gevraagd heeft om een sleutel van de conciërgewoning bij te maken.” Noch licht verzoeker toe in welk opzicht de betrokken onjuistheid van invloed is op de bestreden beslissingen en de wettigheid ervan vermag aan te tasten, noch is dat op het eerste gezicht spontaan duidelijk.
 
11.2. In de tweede plaats betoogt verzoeker dat de wettelijk voorgeschreven procedure voor de aankoop van veiligheidsschoenen niet voorschrijft dat de preventieadviseur de bestellingen plaatst. Hij moet enkel een advies geven. Het is een advies, evenwel, dat verzoeker toegeeft niet te hebben ingewonnen. Er lijkt uit te volgen dat, hoe dan ook, de tuchtoverheid terecht heeft overwogen dat “[d]e bestellingen werden geplaatst buiten de geëigende procedure om”.
 
12. Het enige middel komt in zijn geheel niet ernstig voor. Aldus is minstens één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet vervuld en is er reden de vordering in haar geheel te verwerpen. Bijgevolg hoeft er geen uitspraak te worden gedaan over verzoekers vraag om, ingeval tot een schorsing zou worden overgegaan, een injunctie te geven aan de beroepscommissie.
 
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien april
tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Frank Bontinck, griffier.