Print

Raad van State - Arrest nr. 246.709 van 17 januari 2020 – Beroep tot nietigverklaring – Tuchtprocedure

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
246.709
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
vrijdag 17 januari 2020
Samenvatting
 
De Raad van State gaat over tot de vernietiging van:
 
1. de beslissing van de stadssecretaris van de stad Antwerpen van 13 oktober 2015 om XXX te straffen met de inhouding van wedde van 20 % gedurende zes maanden, en
2. de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 15 maart 2016 om de tuchtstraf niet te vernietigen.
 
De vernietiging van beide beslissingen heeft voor gevolg dat de zaak terugkeert voor behandeling naar de stadssecretaris van de stad Antwerpen en niet naar de Beroepscommissie voor tuchtzaken.
 
a)
Een tuchtvordering is in beginsel als ingesteld te beschouwen van zodra de tuchtoverheid een personeelslid voldoende te kennen geeft dat hij of zij zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden met het oog op het al dan niet opleggen van een tuchtstraf. Artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet, schrijft voor dat de tuchtvordering moet worden geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek te starten, waarvan zij het personeelslid onmiddellijk dient in te lichten. Deze bepaling sluit niet uit dat ook nog uit andere gegevens kan worden besloten dat de tuchtvordering werd ingesteld.
 
Het ter kennis brengen van een tuchtverslag met een uitnodiging om daaromtrent te worden gehoord, betekent evenzeer dat de tuchtvordering is ingesteld.
Vermits deze kennisgeving binnen de verjaringstermijn is gebeurd, is er geen sprake van verjaring.
 
b)
De Raad van State aanvaardt niet dat het bewijs is geleverd van de ten laste gelegde tekortkoming:
“…
 
(…) Uit de in randnummer 3 geciteerde redengeving van de eerste bestreden beslissing blijkt dat verzoeker aan de A-waarde “integriteit” is tekortgekomen door, als verantwoordelijke voor de aankopen van zaai- en plantgoed voor het serrecomplex, niet het nodige te hebben gedaan om een schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te vermijden. Die schijn heeft hij volgens de beslissing op zich geladen, eensdeels, door bepaalde leveranciers meer persoonlijk te bezoeken dan andere en, anderdeels, door er in het kader van zijn persoonlijke financiële huishouding niet voor gezorgd te hebben de stortingen van aanzienlijke bedragen in contanten te kunnen verantwoorden.
 
17. Wat het laatste betreft, overweegt de tuchtoverheid dat door geen helderheid over de stortingen te verschaffen, verzoeker weliswaar geen fout begaat, maar dat het hem niet ook niet kan “vrijpleiten”.
 
Dit is van aard vragen te doen rijzen: Vrijpleiten waarvan? Van de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid die de tuchtoverheid erin ziet? Partijdigheid of vooringenomenheid ten opzichte van wie?
 
Voortgaande op de concrete omstandigheden van de zaak, dringt het zich op dat “vrijpleiten” verwijst naar de schijn dat de stortingen verband houden met verzoekers speciale bejegening van bepaalde leveranciers, door ze meer dan andere persoonlijk te bezoeken.
(…)
 
Het argument, dan weer, dat de redenen die verzoeker opgeeft om V. P. te bezoeken kant noch wal raken, is naast de kwestie. De eerste bestreden beslissing knoopt de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid specifiek vast, niet aan het feit dat V. P. zonder deugdelijke redenen wordt bezocht, maar aan de voorkeursbehandeling die hij in vergelijking met andere leveranciers geniet. Het bewijs van een verschil in behandeling wordt evenwel niet geleverd.
…”
 
Bovendien meent de Raad van State tevens dat niet op een correcte manier is omgegaan met het vonnis van de strafrechter waarin tot de vrijspraak is gekomen:
“…
 
In plaats van, zoals in de eerste bestreden beslissing wordt gedaan, het als “zeer ongeloofwaardig” te bestempelen dat verzoeker de oorsprong van de gestorte gelden niet meer zou kennen, vindt de rechtbank daarvoor een verontschuldiging in het lange tijdsverloop tussen de feiten en de eerste confrontatie ermee. Nog in tegenstelling tot de tuchtoverheid, rekent de rechtbank dat tijdsverloop en het bewijsprobleem niét aan verzoeker aan.
…”
 
Tekst arrest

 

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER 

ARREST

nr. 246.709 van 17 januari 2020

in de zaak A. 219.224/X-16.622

 

In zake: XXX 

bijgestaan en vertegenwoordigd door

advocaat Ann Coolsaet

kantoor houdend te 2018 Antwerpen

Arthur Goemaerelei 69

bij wie woonplaats wordt gekozen

en

eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door

advocaat Fons Sauter 

kantoor houdend te 2920 Kalmthout

Kapellensteenweg 66

en

advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend 2630 Aartselaar

Karel van de Woestijnelaan 7

 

tegen:

 

1. de STAD ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door

advocaten Thomas De Donder en Karel De Schoenmaeker

kantoor houdend te 1930 Zaventem

Luchthaven Nationaal 1J

bij wie woonplaats wordt gekozen

2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse

regering en de beroepscommissie voor tuchtzaken

bijgestaan en vertegenwoordigd door

advocaat Tom De Sutter

kantoor houdend te 9000 Gent

Koning Albertlaan 128

bij wie woonplaats wordt gekozen

 

1. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de stadssecretaris van de stad Antwerpen van 13 oktober 2015 om XXX te straffen met de inhouding van wedde van 20 % gedurende zes maanden, en van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 15 maart 2016 om de tuchtstraf niet te vernietigen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend.

Verzoekende heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2019.

Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Inge Derde, die loco advocaten Thomas De Donder en Karel De Schoenmaeker verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januani 1973.

III. Feiten

3. Op 11 februari 2010 beslist de stadssecretaris van de stad Antwerpen bedrijfsdirecteur S.C. opdracht te geven tot een tuchtonderzoek voor feiten waaraan verzoeker, werkleider bij de bedrijfseenheid “stads- en 
buurtonderhoud”, zich schuldig zou hebben gemaakt. Het gaat mogelijk om passieve omkoping, door zich een commissieloon te hebben laten betalen door een leverancier van de stad.

Op 3 maart 2010 doet de stadssecretaris aangifte bij de federale gerechtelijke politie. Er is volgens hem sprake van actieve corruptie doordat verzoeker, verantwoordelijk voor de aankoop van plantgoed dat wordt verwerkt 
in het serrecomplex, leverancier V.P. onder druk heeft gezet om commissielonen te betalen.

Uiteindelijk wordt verzoeker niet voor omkoping vervolgd, maar, samen met zijn echtgenote en zoon, voor feiten van witwassen. Uit het onderzoek van hun bankgegevens is gebleken dat er op hun bankrekeningen 
regelmatig stortingen in contanten werden gedaan, voor een totaal bedrag van 66.625 euro, en dat die gelden nadien verder werden beheerd.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 februari 2015 wordt verzoeker vrijgesproken omdat het aan het openbaar ministerie toekomt om te bewijzen dat elke legale herkomst van de gelden uitgesloten is en omdat het bewijs naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid is geleverd.

In het tuchtverslag van 28 mei 2015 wordt voorgesteld verzoeker de tuchtstraf van een schorsing van zes maanden op te leggen, in essentie om leden dat hij zowel tijdens de diensturen als in zijn privéleven ernstig 
heeft verwaarloosd de waarde “integriteit” na te leven “en dit door een bepaalde leverancier van een voorkeursbehandelmg te laten genieten en door zijn persoonlijke financiële boekhouding bijzonder nonchalant te voeren”. Ook wordt verzoeker verweten dat hij, niettegenstaande zijn bijzondere leidinggevende positie, nooit de kans heeft gegrepen om de aanzienlijke cashstortingen te verantwoorden.

Verzoeker wordt op 11 juni 2015 uitgenodigd om te worden gehoord op 9 juli 2015. Omdat die datum hem niet past, wordt hij met een brief van 7 juli 2015 uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 augustus 2015.

Op 13 oktober 2015 beslist de stadssecretaris verzoeker te straffen met de inhouding van salaris met 20 % gedurende zes maanden. Dit is de eerste bestreden beslissing.

Volgens de tuchtstraf blijkt de inbreuk op de A-waarde “integriteit” uit de volgende vaststellingen:

"- betrokkene ontving in de periode tussen 2004 en 2010 zeer aanzienlijke stortingen in contanten op zijn persoonlijke rekeningen en op de rekeningen van zijn verwanten;

- Een sluitende verantwoording voor deze gelden werd tot op heden niet voorgelegd. De tuchtoverheid citeert uit het vonnis van 26/2/2015: ‘De rechtbank stelt vast dat de door beklaagden aangehaalde transacties geen verantwoording zijn voor alle cashstortmgen die in de dagvaarding zijn opgenomen en dat evenmin voor alle door hen voorgehouden transacties stavingstukken voorliggen. Bovendien is het met betrekking tot een aantal van de genoemde transacties merkwaardig dat deze met contante gelden zouden zijn geschied.’; - Betrokkene had als verantwoordelijke voor de aankopen van het zaai- en plantgoed voor het Serrecomplex aanzienlijke invloed op het toewijzen van de opdrachten en had in die hoedanigheid alle nodige maatregelen moeten nemen om de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te vermijden; - Betrokkene bleef op dit vlak echter volstrekt in gebreke door:

° bepaalde leveranciers meer persoonlijk te bezoeken dan anderen;

° met de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen bij het voeren van zijn persoonlijke financiële huishouding door een verantwoording te voorzien voor de stortingen van aanzienlijke bedragen in contanten. Dat betrokkene verzaakte aan de kansen die werden geboden om helderheid te scheppen omtrent de aantijgingen van actieve/passieve omkoping en het witwassen van vermogensvoordelen houdt op zich geen tuchtfeit in. Tegelijkertijd heeft deze houding betrokkene ook niet kunnen vrijpleiten. De tuchtoverheid vindt deze houding voor een leidinggevende van de stad Antwerpen laakbaar.”

Antwoordend op verzoekers verweer dat hij werd vrijgesproken door de correctionele rechtbank en dat hij een uitleg heeft voor de overgrote meerderheid van de contante stortingen op zijn bankrekening, doet de 
stadssecretaris in fine van zijn beslissing gelden:

“XXX is inderdaad vrijgesproken door de correctionele rechtbank. Dit neemt evenwel niet weg dat er niet alsnog tuchtfeiten kunnen zijn gepleegd. De ene kwalificati[e] staat los van de andere. Daarenboven werd  XXX vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs waarbij de rechtbank uitdrukkelijk voorbehoud maakte over de stortingen die waren gebeurd. Daarenboven was het bewijsprobleem het gevolg van het lange tijdsverloop tussen de feiten en het einde van het strafonderzoek, wat gecreëerd was door XXX zelf. Het is trouwens zeer ongeloofwaardig dat XXX de oorsprong van dermate grote cash stortingen niet meer zou weten.”

Op 15 maart 2016 besluit de beroepscommissie voor tuchtzaken om de tuchtstraf van 13 oktober 2015 te bevestigen, en dus niet te vernietigen. Dat is de tweede bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet “wegens verjaring van de tuchtvordering”. Uiteengezet wordt dat de eerste bestreden beslissing verzoeker 
tuchtrechtelijk straft voor andere feiten dan waarvoor een tuchtonderzoeker werd aangesteld, zodat de verjaring voor de feiten waarvoor hij werd gestraft niet geschorst werd en de verjaring uiterlijk op 10 september 2015 is ingetreden. De eerste bestreden beslissing is ten onrechte niet vernietigd door de tweede bestreden beslissing.

Verzoeker licht toe dat het tuchtonderzoek gestart werd voor het ontvangen van commissielonen/passieve omkoping, terwijl de tuchtstraf opgelegd werd voor het ontvangen van stortingen cash geld voor aanzienlijke bedragen, het niet sluitend verantwoorden van deze stortingen, niet het nodige doen om een schijn van partijdigheid te vermijden door bepaalde leveranciers meer persoonlijk te bezoeken dan andere en door bij het voeren van zijn persoonlijke financiële huishouding geen verantwoording te hebben voor de stortingen van aanzienlijke bedragen in contanten. De aanstelling van de tuchtonderzoeker op 11 februari 2010 heeft met de verjaring van de uiteindelijk bestrafte tuchtfeiten kunnen schorsen met toepassing van artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet. Voor de uiteindelijk bestrafte tuchtfeiten werd nooit een tuchtonderzoeker gelast met het 
voeren van een tuchtonderzoek.

De tuchtfeiten zijn bij het nemen van de tuchtbeslissing van 13 oktober 2015 bijgevolg verjaard. Ze kunnen worden beschouwd als voldoende vastgesteld ten laatste op het tijdstip van de kennisname door de tuchtoverheid van het vonnis van de correctionele rechtbank, dit is uiterlijk 10 maart 2015. Aangezien geen enkele partij beroep instelde tegen de vrijspraak van 26 februari 2015, was er van dan af ook geen strafvordering meer hangende.

5. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker onder meer toe dat geen enkel bewijs wordt bijgebracht dat de tuchtoverheid, zoals zij beweert, op 10 maart 2015 aan de tuchtonderzoeker de opdracht heeft gegeven tot het voeren van een bijkomend of nieuw tuchtonderzoek. Beklemtoond wordt dat de essentie van het middel is “dat er geen tuchtonderzoeker werd aangesteld om een tuchtonderzoek te voeren naar de feiten waarvoor verzoeker tuchtrechtelijk werd bestraft, doch enkel om een tuchtonderzoek te voeren naar feiten waarvoor verzoeker niet tuchtrechtelijk werd bestraft, zodat de verjaring voor de feiten waarvoor verzoeker is gestraft dan ook nooit is geschorst”.

6. In de laatste memorie herhaalt verzoeker dat het tuchtonderzoek werd gestart voor het ontvangen van commissielonen/passieve omkoping en dat geenszins uit de tuchtbeslissing blijkt dat de tuchtstraf daarvoor werd opgelegd.

Beoordeling

7. Het toentertijd geldende artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet schrijft voor:

“De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek als bedoeld in artikel 124 op te starten.”

Gelet op het toenmalige artikel 1, § 2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 2006 ‘houdende vaststelling van de tuchtproceduie voor het statutaire gemeentepersoneel ter uitvoering van 
[de] artikel[en] 129, 136 en 143 van het Gemeentedecreet [...]’ dient de tuchtoverheid het betrokken personeelslid onmiddellijk op de hoogte te brengen van haar beslissing tot het opstarten van een tuchtonderzoek.

8. Een tuchtvordenng is in beginsel als ingesteld te beschouwen van zodia de tuchtoverheid een personeelslid voldoende te kennen geeft dat hij of zij zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden met het oog op het al dan niet opleggen van een tuchtstraf.

Dat, overeenkomstig het geciteerde artikel 130, § 1, van het gemeentedecreet, de tuchtvordering geacht moet worden te zijn ingesteld van zodia de tuchtoverheid beslist om een tuchtonderzoek te starten, waarvan zij het 
personeelslid onmiddellijk dient in te lichten, sluit niet uit dat ook nog uit andere gegevens kan worden besloten dat de tuchtvordering werd ingesteld.

9. Te dezen heeft de tuchtoverheid het tuchtverslag van 28 mei 2015, dat aan de eerste bestreden beslissing ten grondslag ligt, met een brief van 11 juni 2015 aan verzoeker meegedeeld, met de uitnodiging voor een 
tuchthoorzitting op 9 juli 2015. Nadat verzoeker om een uitstel vroeg, besliste de stadssecretaris op 6 juli 2015 om verzoeker een uitstel te verlenen, met dien verstande dat de tuchtoverheid op de nieuwe datum “in ieder geval zal beraadslagen over de op te leggen strafmaat”. Dienvolgens is verzoeker met een brief van 7 juli 2015 opnieuw uitgenodigd voor een tuchthoorzitting, dit keer op 20 augustus 2015.

Aldus gaf de tuchtoverheid alleszins in juni-juli 2015 onmiskenbaar aan dat zij verzoeker ter verantwoording riep voor de feiten waarvoor zij hem later, op 13 oktober 2015, ook effectief tuchtrechtelijk veroordeeld heeft.

Bijgevolg werd de tuchtvordenng ingesteld binnen zes maanden nadat de verjaring begon te lopen, tijdstip dat verzoeker zelf bepaalt op uiterlijk 10 maart 2015.

10. De eerste bestreden beslissing veroordeelt verzoeker niet voor feiten waarvoor de tuchtvordenng verjaard is. Daargelaten de ontvankelijkheid van het middel, die door de tweede verwerende partij wordt betwist, toont het middel in elk geval met de onwettigheid van de bestreden beslissingen aan.

Het eerste middel wordt verworpen.

B. Tweede en derde middel

Uiteenzetting van de partijen

11.1. In een tweede middel, afgeleid uit de schending van de formele en de materiëlemotiveringsplicht en de schending van het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 26 februari 2015, voert verzoeker aan dat de feiten ten onrechte als tuchtfeiten zijn gekwalificeerd.

Onder meer wordt toegelicht dat de tuchtbeslissing niet afdoende motiveert waarom het ontvangen van stortingen cash geld van aanzienlijke bedragen en het niet sluitend verantwoorden van al die stortingen als 
tuchtfeiten moeten worden gekwalificeerd. Die feiten behoren tot de privésfeer en het is geenszins verboden in de privésfeer stortingen in cash geld te ontvangen waarvan op geen enkele wijze wordt aangetoond dat ze niet legaal zouden zijn, noch is het verboden om te weigeren daarover uitleg te verschaffen aan de werkgever. Precies omdat er geen enkel verband met het ambt wordt aangetoond, wordt evenmin afdoende gemotiveerd waarom er sprake zou kunnen zijn van een schijn van partijdigheid.

Waarom de feiten toch als tuchtfeiten worden beschouwd, moet volgens verzoeker mogelijk worden gelezen in de overweging in de tuchtbeslissing dat hij, door te verzaken aan de kansen om helderheid te scheppen 
over de aantijgingen inzake omkopen en het witwassen van vermogensvoordelen, zich “ook niet [heeft] kunnen vrijpleiten”. Daarmee lijkt de tuchtoverheid aan te geven dat zij meent dat de gelden toch van een misdrijf afkomstig zijn. Zo miskent zij het gezag van gewijsde van de strafrechtelijke vrijspraak. De feiten kunnen maar als tuchtfeiten worden beschouwd als men ervan uitgaat dat de stortingen van cash geld een gevolg zijn van onwettige handelingen.

11.2. Volgens een derde middel zijn de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, alsook het vermoeden van onschuld als onderdeel van de rechten van verdediging, geschonden, en zijn de feiten ten onrechte als 
bewezen beschouwd.

Onder andere betoogt verzoeker dat het bewijs ontbreekt van het tuchtfeit dat hij bepaalde leverancieis, meer bepaald V.P., meer zou bezoeken dan andere. A fortiori wordt in de tuchtbeslissing niet afdoende gemotiveerd 
waarom dat feit bewezen is. Het is van meet af aan betwist geworden dat bepaalde leveranciers meer persoonlijk werden bezocht dan andere. Steeds heeft verzoeker aangevoerd dat hij alle leveranciers twee maal per jaar bezocht. Dat gold voor de firma V.P., maar evenzeer voor de andere firma’s die leverden aan de stad. De bezoeken gebeurden overigens steeds met medeweten van de hiërarchische overste van verzoeker en meestal in gezelschap van collega K.W.

12.1. De eerste verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord met betrekking tot het tweede middel dat de tuchtoverheid een discretionaire appreciatiemarge bezit bij de beoordeling of een ten laste gelegde 
inbreuk daadwerkelijk een tuchtfeit uitmaakt. Te dezen licht volgens haar de eerste bestreden beslissing voldoende toe waarom het gedrag van verzoeker, onder meer door de ontvangst van erg aanzienlijke bedragen in contanten op haar persoonlijke rekeningen en door niet in te gaan op de geboden kansen om helderheid te scheppen, een duidelijk overtreding is van de A-waarde “integriteit”. Door daarbij de zeer specifieke functie van verzoeker te benadrukken wordt de link gelegd met de werking van de dienst. Deze overwegingen moeten als “afdoende” beschouwd worden.

Zelfs al zouden de feiten, aldus de eerste verwerende partij, zich in de privésfeer van verzoeker situeren, dan sluit dat nog niet per se de kwalificatie van tuchtfeit uit. Private feiten of gedragingen zijn enkel uitgesloten 
als de tuchtoverheid het in geen enkel opzicht aannemelijk kan maken dat die feiten of gedragingen een weerslag kunnen hebben op het ambt. Bekleedt het personeelslid, zoals verzoeker, een leidinggevende positie of vertrouwensfunctie, dan is sneller aan te nemen dat het gedrag in de privésfeer redelijkerwijze als een tuchtvergrijp wordt beschouwd dat de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt. De eerste bestreden beslissing maakt dan ook voldoende aannemelijk “dat de dubieuze ontvangst van zeer aanzienlijke bedragen in contanten - zelfs als dit zich al situeerde in de privésfeer van verzoekende partij - en het gebrek aan heldere verantwoording in dat verband niet rijmt met de verplichting die op verzoekende partij rust om elke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te vermijden”.

De eerste verwerende partij is van mening het juiste gewicht te hebben gegeven aan verzoekers vrijspraak en aan de bedenkingen die de strafrechter daarbij formuleerde. Die vrijspraak impliceert enkel dat de 
tuchtoverheid haar tuchtstraf niet kan verantwoorden op grond van de vaststelling van witwaspraktijken. De eerste verwerende partij heeft met het gezag van gewijsde van het vonnis van de correctionele rechtbank geschonden door die vrijspraak als zodanig te erkennen, maar tegelijkertijd ook rekening te houden met de kritische bewoordingen die de strafrechter formuleerde.

12.2. Met betrekking tot het derde middel antwoordt de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord dat de beoordeling in de eerste bestreden beslissing ook nog op andere elementen berust dan dat verzoeker meer persoonlijk contact had met een bepaalde leverancier. Dat verzoeker dit feit betwist, wijst nog niet uit dat hij ter zake een correcte toelichting geeft. En zelfs al zou zijn toelichting correct zijn, dan nog “kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij de aard en de intensiteit van het contact dat verzoekende partij met [V.P.] onderhield”.

13. Ook de tweede verwerende partij wijst er in verband met het tweede middel op dat de tuchtoverheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt en 
dat een strafrechtelijke vrijspraak een tuchtrechtelijke bestraffing niet per definitie hoeft uit te sluiten. Evenmin is de omstandigheid dat de feiten zich buiten de diensturen hebben voorgedaan een reden om ze niet tuchtrechtelijk te bestraffen. De verwerende partijen hebben naar het oordeel van de tweede verwerende partij afdoende uitgelegd waarom een tuchtrechtelijke bestraffing mogelijk is en verzoeker maakt niet aannemelijk dat deze beoordeling “als kennelijk onredelijk zou moeten worden beschouwd”.

Zelfs al zou verzoekers kritiek in het derde middel moeten worden aangenomen, dan nog wordt volgens de tweede verwerende partij de onwettigheid van de tuchtstraf niet in het gedrang gebracht. “De verzoekende 
partij maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de beoordeling in de bestreden beslissingen als kennelijk onredelijk zou[den] moeten worden beschouwd”.

14. In de laatste memorie voegt de eerste verwerende partij inzake het derde middel nog toe dat het een personeelslid absoluut niet past om bij een leverancier langs te gaan. Verzoekers uitleg voor zijn veelvuldige aanwezigheid raakt kant noch wal. Precies door zijn bezoek aan V.P., om redenen die geen steek houden, heeft verzoeker minstens de schijn van partijdigheid gewekt. Maar zelfs indien verzoekers bezoeken aan V.P. niet als een tuchtfeit in aanmerking komen, dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat de andere tuchtfeiten alleen al voldoende zijn voor de lichte tuchtstraf die uiteindelijk werd opgelegd.

15. De tweede verwerende partij betoogt in de laatste memorie dat verzoekende in het derde middel alleen bekritiseert dat met afdoende wordt gemotiveerd “waarom het feit dat bepaalde leveranciers meer dan andere worden bezocht als bewezen kan worden beschouwd”. In het middel wordt volgens de tweede verwerende partij niet aangevoerd dat het beweerde motiveringsgebrek dermate doorslaggevend zou zijn dat het de globale beoordeling en de wettigheid van de tuchtstraf zou aantasten.

Beoordeling

16. Uit de in randnummer 3 geciteerde redengeving van de eerste bestreden beslissing blijkt dat verzoeker aan de A-waarde “integriteit” is tekortgekomen door, als verantwoordelijke voor de aankopen van zaai- en 
plantgoed voor het serrecomplex, niet het nodige te hebben gedaan om een schijn van partijdigheid of vooringenomenheid te vermijden. Die schijn heeft hij volgens de beslissing op zich geladen, eensdeels, door bepaalde leveranciers meer persoonlijk te bezoeken dan andere en, anderdeels, door er in het kader van zijn persoonlijke financiële huishouding niet voor gezorgd te hebben de stortingen van aanzienlijke bedragen in contanten te kunnen verantwoorden.

17. Wat het laatste betreft, overweegt de tuchtoverheid dat door geen helderheid over de stortingen te verschaffen, verzoeker weliswaar geen fout begaat, maar dat het hem met ook niet kan “vrijpleiten”.

Dit is van aard vragen te doen rijzen: Vrijpleiten waarvan? Van de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid die de tuchtoverheid erin ziet? Partijdigheid of voor ingenomenheid ten opzichte van wie?

Voortgaande op de concrete omstandigheden van de zaak, dringt het zich op dat “vrijpleiten” verwijst naar de schijn dat de stortingen verband houden met verzoekers speciale bejegening van bepaalde leveranciers, 
door ze meer dan andere persoonlijk te bezoeken.

18. In zijn derde middel voert verzoeker aan dat het bewijs van die speciale behandeling en meer bepaald van het feit dat hij V.P. meer persoonlijk zou hebben bezocht dan andere leveranciers, ontbreekt.

De tuchtoverheid spreekt dat niet tegen door te argumenteren dat verzoeker evenmin bewijst dat hij V.P. niet méér bezocht dan andere leveranciers.

Het argument, dan weer, dat de redenen die verzoeker opgeeft om V. P. te bezoeken kant noch wal raken, is naast de kwestie. De eerste bestreden beslissing knoopt de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid 
specifiek vast, met aan het feit dat V.P. zonder deugdelijke redenen wordt bezocht, maar aan de voorkeursbehandeling die hij in vergelijking met andere leveranciers geniet. Het bewijs van een verschil in behandeling wordt evenwel niet geleverd.

19. Dit is niet zonder relevantie voor de beoordeling van de vraag, die verzoekende in het tweede middel aan de orde stelt, of de stortingen van aanzienlijke bedragen in contanten in het kader van verzoekers persoonlijke 
financiële huishouding en de afwezigheid van een sluitende verantwoording, feiten die tot de privésfeer behoren, rechtmatig als een tuchtvergrijp zijn beschouwd.

20. Terecht wijzen de verwerende partijen erop dat, uitzonderlijk, ook feiten uit het privéleven disciplinair gestraft kunnen worden. Voorwaarde is dat ze de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of een negatieve weerslag hebben op de dienst.

Te dezen zouden de stortingen en het gebrek aan een heldere verantwoording ervan volgens de tuchtoverheid aan die voorwaarde voldoen doordat ze een - in de functie van verzoeker bezwaarlijke - schijn van 
partijdigheid of vooringenomenheid in de hand werken. Zoals sub randnummer 17 overwogen, wordt uit de bestreden beslissing afgeleid dat deze schijnverband houdt met de speciale bejegening van V.P.

Uit de bespreking van het derde middel, sub randnummer 18, volgt evenwel dat de eerste verwerende partij die speciale bejegening bij gebrek aan bewijs niet rechtmatig in aanmerking heeft genomen. Van welke 
partijdigheid of vooringenomenheid jegens wie of wat verzoeker zich in het belang van zijn ambt of van de dienst dan nog dient “vrij te pleiten”, door ervoor te zorgen dat hij de stortingen van aanzienlijke bedragen in de privésfeer kan verantwoorden, laat de tuchtoverheid in haar tuchtstraf niet kennen.

Zonder het feit van de speciale behandeling van V.P., doet de tuchtoverheid er niet genoegzaam van blijken dat zij de andere tegen verzoeker in aanmerking genomen feiten terecht als een tuchtvergrijp heeft aanzien en bestraft.

21. Overigens wordt de tuchtoverheid evenmin gevolgd in zoverre zij betoogt het juiste gewicht te hebben gehecht “aan de vrijspraak van verzoekende partij en de daarbij door de strafrechter geformuleerde 
bedenkingen”. Met die “bedenkingen” wordt gerefereerd aan de volgende passus uit het vonnis van de correctionele rechtbank van 26 februari 2015, die in de tuchtstraf wordt geciteerd:

“De rechtbank stelt vast dat de door beklaagden aangehaalde transacties geen verantwoording zijn voor alle cash stortingen die in de dagvaarding zijn opgenomen en dat evenmin voor alle door hen voorgehouden transacties stavingstukken voorliggen. Bovendien is het met betrekking tot een aantal van de genoemde transacties merkwaardig dat deze met contante gelden zouden zijn geschied.”

Het gaat om een bepaald onvolledig citaat. Het, volgens de bewoordingen in de eerste bestreden beslissing, “uitdrukkelijk voorbehoud [...] over de stortingen die waren gebeurd”, wordt aldus in het vonnis van de 
rechtbank meteen geneutraliseerd:

“Anderzijds is een aanzienlijke tijdsperiode verstreken tussen de feiten en de eerste confrontatie van beklaagden met de feiten. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat op het ogenblik dat beklaagden voor het eerst met de vaststellingen van de stortingen op hun bankrekeningen werden geconfronteerd, voor een aantal van deze stortingen de stukken reeds niet meer voorhanden waren of beklaagden zelfs met meer precies konden achterhalen welke de herkomst was van de door hen bekomen gelden.”

Finaal spreekt de rechtbank verzoeker van witwassen vrij omdat het bewijs dat de stortingen geen legale herkomst zouden hebben, niet is geleverd.

In plaats van, zoals in de eerste bestreden beslissing wordt gedaan, het als “zeer ongeloofwaardig” te bestempelen dat verzoeker de oorsprong van de gestorte gelden niet meer zou kennen, vindt de rechtbank 
daarvoor een verontschuldiging in het lange tijdsverloop tussen de feiten en de eerste confrontatie ermee. Nog in tegenstelling tot de tuchtoverheid, rekent de rechtbank dat tijdsverloop en het bewijsprobleem niét aan verzoeker aan.

22. Het tweede en derde middel zijn in de aangegeven mate gegrond. Dit verantwoordt de vernietiging van de eerste bestreden beslissing, evenals, tenminste ten behoeve van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, van de 
tweede bestreden beslissing.

V. Anonimisering

23.  Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoeker dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen.

Dit verzoek wordt ingewilligd.

 

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt 1° de beslissing van de stadssecretaris van de stad Antwerpen van 13 oktober 2015 om XXX te straffen met de inhouding van wedde van 20 % gedurende zes maanden, en 2° de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken van 15 maart 2016 om de tuchtstraf niet te vernietigen.

2. De Raad van State verwijst de verwerende partijen, elk voor de helft, in de kosten van het geding, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter
Jan Clement, staatsraad
Stephan De Taeye, staatsraad

bijgestaan door

Silvan De Clercq, griffier

De griffier
Silvan De Clercq

 

De voorzitter

Johan Lust