Raad van State - Arrest 245.860 van 22 oktober 2019 - Beroep tot vernietiging - verlenen vergunning

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
245.860
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 22 oktober 2019
Samenvatting

-

Tekst arrest
 
 
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 245.860 van 22 oktober 2019
in de zaak A. 215.327/X-16.180
 
In zake :
 
de GEMEENTE BALEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Noël Devos en Guido Van Den Eynde
kantoor houdend te 2440 Geel
Diestseweg 155
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen :
 
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Tom De Sutter
kantoor houdend te 9000 Gent
Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
Tussenkomende partij :
 
Richard BRULS
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Wim Mertens
kantoor houdend te 3580 Beringen
Paalsesteenweg 81
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 17 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het Ministerieel Besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 21 januari 2015 tot toekenning van de toelating om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) om het waterleidings- en elektricteitsnet uit te breiden, onder de opschortende voorwaarde van een natuurvergunning”.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Richard Bruls heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 juni 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
 
Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.
 
De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2019.
 
Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.
 
Advocaat Bram Vangeel, die loco advocaat Noël Devos verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Kilian Stulens, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
 
Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3.1. Richard Bruls dient bij Pidpa en Eandis aanvragen in tot uitbreiding van het waterleidingsnet, respectievelijk het electriciteitsnet, ten behoeve van zijn chalet-weekendverblijf op de Keiberg, ter hoogte van de Heerbaan, te Balen.
 
3.2. Het college van burgemeester en schepenen van Balen beslist op 1 en 20 september 2010 om niet in te stemmen met de uitbreiding van de waterleiding, en op 20 oktober 2010 om niet in te stemmen met de realisatie van de uitbreiding van het elektriciteitsnet.
 
3.3. Op 4 juli 2011 beslist de Vlaamse minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, met verwijzing naar de wet van 17 januari 1938 „tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen‟, dat toch toelating wordt gegeven om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) tot uitbreiding van het waterleidings- en elektriciteitsnet.
 
3.4. Bij ‟s Raads arrest nr. 227.106 van 14 april 2014 wordt de domeinvergunning van 4 juli 2011 vernietigd omdat noch “[u]it de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij de haar door artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet opgelegde zorgplicht is nagekomen”.
3.5. Op 21 januari 2015 verleent de Vlaamse minister van Binnenlandse bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke kansen en Armoedebestrijding de toelating om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) om het waterleidings- en elektriciteitsnet uit te breiden, onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een natuurvergunning:
 
“[…] Overwegende dat de kwestie van de al dan niet vermijdbare schade zal onderzocht worden in (de motivering van) de nog door betrokkene(n) aan te vragen „natuurvergunning‟, die blijkens het schrijven van 26 juni 2014 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, nog moet aangevraagd worden; dat deze natuurvergunning ingesteld wordt door artikel 13 van het natuurdecreet en het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; Overwegende dat, blijkens nadere uitleg door de diensten van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur (e-mail dd 15 juli 2014), „de verwijzing naar de natuurvergunning volgt uit de veronderstelling/vaststelling dat er bij de graafwerken vegetatie beschadigd zou kunnen worden bvb. bij het kruisen van de wegbermen, dat gelet op de ligging in Habitatrichtlijngebied, dan ook in de bestemming „recreatiegebied‟ een natuurvergunning vereist (artikel 13, §4, 3° van het natuurdecreet); dat „aangezien de vergunning die door het Agentschap Binnenlands Bestuur verleend wordt niet onder de vrijstellingen valt opgenomen in artikel 9 van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 (huiskavels; regelmatige stedenbouwkundige vergunning ... beheerplan Bosdecreet, beheerplan Natuurreservaat, inrichtingsplan Landinrichting ...) en het geen normale onderhoudswerken zijn, is de procedure volgens artikel 11 en volgende van het Besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 van toepassing‟; Overwegende dat, binnen het kader van wat voorafgaat, de toelating tot gebruik van het openbaar domein van de gemeente Balen voor de uitbreiding van het water- en elektriciteitsnet derhalve wordt gegeven onder de opschortende voorwaarde dat vooraf een natuurvergunning wordt verkregen waarin de zorgtoets is verricht, BESLUIT: Artikel 1. Er wordt, onder de opschortende voorwaarde dat vooraf een natuurvergunning wordt verkregen, toelating gegeven (aan Pidpa) om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) tot uitbreiding van het waterleidingsnet, op aanvraag van de heer Bruls. Artikel 2. Er wordt, onder de opschortende voorwaarde dat vooraf een natuurvergunning wordt verkregen, toelating gegeven (aan Eandis) om gebruik te maken van het openbaar domein van de gemeente Balen (Heerbaan) tot uitbreiding van het elektriciteitsnet, op aanvraag van de heer Bruls.”
 
Dit is het bestreden besluit.
 
IV. Onderzoek van de middelen
 
A. Eerste middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
4.1. De verzoekende partij roept volgend eerste middel in:
 
“Schending in van: artikel 5.1.1-5.1.3 VCRO en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, de hoorplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht; Aangezien de Vlaamse Minister uitspraak doet over de opname van het perceel van de heer Bruls in het vergunningenregister, terwijl enkel de gemeente hiertoe bevoegd is op basis van artikelen 5.1.1 - 5.1.3 VCRO; Aangezien verzoekende partij nooit werd gehoord door de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding; Zodat de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding niet bevoegd was deze beslissing te nemen, minstens haar beslissing niet kon steunen op motieven die strijdig zijn met de beslissingen van de enige bevoegde administratieve overheid, en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de hoorplicht, het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht, zijn geschonden.”
 
4.2. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat de minister “overweegt […] op basis van motieven die in eerste administratieve aanleg nooit ter sprake zijn gekomen”, en dat zij niet werd gehoord ofschoon de eerste beslissing van de minister werd vernietigd omwille van de schending van de zorgvuldigheidsplicht inzake natuurbehoud en zij de situatie ter plaatse het beste kent.
 
Beoordeling
 
5.1. De verzoekende partij doet ter terechtzitting afstand van het middel in zoverre zij daarin de bevoegdheid van de verwerende partij met betrekking tot de opname van het kwestieuze perceel in het vergunningenregister betwist.
 
5.2. Wat de beweerde schending van de hoorplicht betreft, dient opgemerkt dat de bestreden beslissing is genomen in het kader van de uitoefening van het (specifiek) administratief toezicht. Behoudens in geval van een uitdrukkelijk voorschrift ter zake, heeft de toezichthoudende overheid niet de verplichting de personen die het voorwerp uitmaken van een beslissing van het aan toezicht onderworpen bestuur of dat bestuur zelf in de gelegenheid te stellen nuttig voor hun belangen op te komen.
 
De verzoekende partij brengt geen dergelijk uitdrukkelijk voorschrift bij.
 
Het volstaat dat de verwerende partij het standpunt van verzoekster, zoals veruitwendigd in haar twee weigeringsbeslissingen, in overweging heeft genomen.
 
5.3. Het middel wordt verworpen.
 
B. Tweede middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
6.1. De verzoekende partij roept volgend tweede middel in:
 
“Schending in van: art. 2.1.2 §3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur; Aangezien de Minister in de bestreden beslissing overweegt dat het [gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS)] geen beoordelingsgrond zou vormen; Terwijl art. 2.1.2 §3 VCRO bepaalt dat de overheid niet mag afwijken van het [GRS] bij het nemen van beslissingen; Terwijl het [GRS] minstens een duidelijke beleidslijn van verzoekster uiteenzet, waarmee verzoekster en verwerende partij wel degelijk rekening mochten en moesten houden bij de invulling van hun discretionaire bevoegdheid;
Zodat de bestreden beslissing in strijd is met art. 2.1.2 §3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening, van de artikelen 2 en 3 van de wet
van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel.”
 
Volgens de verzoekende partij kan uit artikel 2.1.2, § 7, VCRO geenszins worden afgeleid dat het GRS niet kan toegepast worden bij het nemen van andere beslissingen dan stedenbouwkundige vergunningen, stedenbouw-kundige uittreksels of attesten.
 
Zij stelt dat haar weigering en de verwijzing naar hetgeen werd uiteengezet in het GRS alleszins gepast is, aangezien het openbaar domein zich in habitatrichtlijngebied bevindt. De bestreden beslissing zou dan ook strijdig zijn met het motiveringsbeginsel.
 
6.2. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat het “vermeend” recht op aansluiting op nutsvoorzieningen van de tussen-komende partij “dat zou primeren op de bepalingen in de VCRO” onbestaande is.
 
6.3. In haar laatste memorie doet de verzoekende partij nog gelden dat artikel 2.1.2, § 3, VCRO uitdrukkelijk bepaalt “dat een overheid niet mag afwijken van het [ruimtelijk structuurplan] bij het nemen van beslissingen”.
 
Beoordeling
 
7.1. Het toentertijd geldende artikel 2.1.2, § 7, VCRO bepaalt:
 
“De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor vergunningsaanvragen, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest.”
 
7.2. Het bestreden besluit is wat de toelating tot het gebruik van het openbaar domein voor de uitbreiding van het waterleidingsnet, als volgt gemotiveerd:
“Overwegende dat het schepencollege meent dat een uitgebreide verwijzing naar het [GRS] (uitdoofbeleid) een afdoende motivering vormt voor de weigering van het gebruik van het openbaar domein voor de uitbreiding van het waterleidingsnet; dat, een [GRS], binnen de ruimtelijke ordening, al geen beoordelingsgrond vormt voor vergunningaanvragen (Codex R.O. artikel 2.1.2. §7) en, a fortiori, ook niet wat de wegvergunningen betreft (vergunning voor het gebruik van het openbaar domein), dat de motivering van een weigering van het gebruik van het openbaar domein (openbare weg) in verband moet staan met deze weg gelet op het principieel recht van nutsbedrijven het openbaar domein te gebruiken en gelet op het feit dat het college daarbij moet optreden als wegbeheerder; dat het schepencollege daaraan geen woord spendeert, dat dus duidelijk is dat de beslissingen van het schepencollege niet afdoende gemotiveerd zijn; dat bovendien volgens het bestaande gewestplan Herentals-Mol, het betrokken gebied nog steeds tot een „gebied voor verblijfsrecreatie‟ behoort, dat de gewestplanvoorschriften, tot op dit ogenblik, onverminderd van kracht blijven; dat bovendien een uitdoofbeleid op zichzelf ook niet betekent dat bestaande (en vergunde of vergund geachte) weekeindverblijven (zoals dat van de heer Bruls cfr. Codex R.O. artikel 5.1.3.§2) verdwijnen, dat er dus niets lijkt te verhinderen dat deze zouden voorzien worden van water door het gebruik van het naburige openbaar domein van de gemeente; dat het schepencollege daarbij van geen enkele verhindering voor het gebruik van dat domein gewaagt”
 
7.3. Wat de toelating tot het gebruik van het openbaar domein voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet betreft, stelt het bestreden besluit: “Overwegende dat de argumenten van de heer Bruls aanvaardbaar zijn; dat de aanvraag tot uitbreiding van het elektriciteitsnet geen private wegen beoogt maar enkel de openbare weg (30 m langs de Heerbaan), dat zijn weekeindverblijf conform de Codex R.O. inderdaad ook niet illegaal te achten is; dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen dus reeds niet steunt op in feite juiste motieven; dat het ook moet geacht worden niet afdoende te zijn gemotiveerd; dat hierbij de argumenten gelden die met betrekking tot de uitbreiding van het waterleidingsnet werden aangehaald; dat samenvattend kan gesteld worden dat de gemeente juridisch geen argumenten heeft om de vergunning voor de uitbreiding van het waterleidings- en elektriciteitsnet te weigeren; dat op basis van een structuurplan geen individuele vergunning geweigerd kan worden; dat de gemeente hier moet optreden als wegbeheerder; dat ze er zich in haar beslissing enkel moet over uitspreken of door de uitbreidingen van het water- en elektriciteitsnet het functioneren van de openbare weg in het gedrang komt; dat enkel vastgesteld kan worden dat de gemeente ter zake geen enkel argument aanvoert en dat daarom dienvolgens niets belet dat de nutsmaatschappijen hun recht zouden uitoefenen op de Heerbaan voor de uitbreidingen van het water- en elektriciteitsnet.”
 
7.4. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, verbiedt artikel 2.1.2, § 7, VCRO wel degelijk dat het GRS een beoordelingsgrond vormt bij de toekenning van een vergunning voor het gebruik van het openbaar domein. De
verzoekende partij overtuigt er verder niet van dat de motieven van het bestreden besluit onjuist of niet-afdoende zouden zijn.
 
7.5. Het middel is ongegrond.
 
C. Derde middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
8.1. De verzoekende partij roept volgend derde middel in: “Schending in van “het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen [hierna: de wet van 17 januari 1938], van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder andere het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht; Aangezien dit enige artikel stelt dat, indien het provinciaal of gemeentelijk gezag de toelating aan de aanvrager weigert, de Koning hierover beslist; Terwijl de Vlaamse Regering collegiaal dient te beslissen overeen-komstig artikel 69 BWHI; Terwijl de beslissing in casu genomen werd door de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding; Zodat de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding niet bevoegd was deze beslissing te nemen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, zijn geschonden.”
 
De verzoekende partij licht toe dat in de bestreden beslissing enkel wordt verwezen naar het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 „tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014), dat geen delegatie verleent voor beslissingen in het kader van de wet van 17 januari 1938. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding is volgens haar dan ook niet bevoegd.
 
De verzoekende partij vervolgt dat nergens wordt vermeld op grond van welke bepaling van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding bevoegd zou zijn. Zij stelt verder dat nergens in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van de manier waarop het dossier aan de administratie van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding werd overgemaakt.
 
8.2. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 63/2010 van 27 mei 2010 geenszins een onbeperkte bevoegdheidsdelegatie heeft toegelaten. Een dergelijke delegatie is volgens haar “in strijd met artikel 33 van de grondwet en artikel 69 BWHI”. Artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 dient volgens de verzoekende partij derhalve buiten toepassing gelaten te worden. Minstens dient de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld:
 
“Schendt artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 25 juli 2014, geïnterpreteerd in die zin dat een onbeperkte delegatie van bevoegdheden wordt verleend aan elke Minister van de Vlaamse Regering, zodat elk lid van de Vlaamse Regering het administratief toezicht op lokale besturen kan uitoefenen, de artikelen 33, 39 en 108 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 69 BWHI ?”
 
Beoordeling
 
9.1. Het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 luidt:
 
“Onverminderd de bepalingen van artikel 13 der wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, hebben de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, het recht om, op hun kosten, op of onder de pleinen, wegen, straten, paden, waterlopen en vaarten, die deel uitmaken van het openbaar domein van de provinciën en de gemeenten, alle werken te laten uitvoeren welke voor het aanleggen en het onderhouden van de leidingen, inzonderheid van de gas- en waterleidingen, nodig zijn, op voorwaarde zich te gedragen naar de wetten en reglementen, zomede naar de bepalingen welke bijzonder daarvoor, hetzij in de administratieve beslissingen, hetzij in de concessieakten voorzien zijn.
 
Er wordt niets geïnnoveerd inzake het openbaar domein van de Staat, voor welks benuttiging de voorafgaande instemming van de Minister van Openbare Werken en Werkverschaffing vereist is. Het werk moet uitgevoerd worden onder eerbiediging van het gebruik waartoe het openbaar domein dient; het geeft geen aanleiding tot buitenbezitstelling. Het bij alinea 1 bepaald recht mag evenwel slechts uitgeoefend worden met de toelating van het openbaar bestuur, waarvan het domein gebezigd wordt. Moest het provinciaal of gemeentelijk gezag deze toelating aan een van voornoemde aanvragers weigeren, dan beslist de Koning. Wanneer het belang van ‟s Lands verdediging het vereist, heeft de regering het recht de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken te wijzigen. De kosten der werken zijn ten laste van de aanneming die de aanleg heeft gedaan. De Staat, de provinciën en de gemeenten hebben in alle geval het recht om de inrichting of het plan van een aanleg evenals de daarmede verband houdende werken later op hun onderscheidenlijk domein te doen wijzigen. Worden wijzigingen opgelegd hetzij om reden van de openbare veiligheid of tot behoud van natuurschoon, hetzij in het belang van de wegen, waterlopen, vaarten of van een openbare dienst, hetzij als gevolg van veranderingen welke de aangelanden aan de toegangen tot de eigendommen langsheen de gebezigde wegen hebben toegebracht, dan zijn de kosten der werken ten laste van de aanneming, die de aanleg heeft gedaan; in de andere gevallen komen ze ten laste van de overheid die de wijzigingen oplegt. Deze overheid mag vooraf een kostenbegroting eisen en, bij onenigheid, zelf tot de uitvoering der werken overgaan”.
 
9.2. Uit de voormelde bepaling volgt dat het recht om werken op het openbaar domein uit te voeren slechts mag uitgeoefend worden met toelating van het openbaar bestuur waarvan het domein gebruikt wordt. Wanneer de gemeentelijke overheid weigert, beslist de Koning. Deze bepaling moet gelezen worden in het licht van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 „tot hervorming der instellingen‟ (hierna: BWHI).
 
9.3. Op basis van artikel 6, § 1, X, 2°bis, BWHI hebben de gewesten de bevoegdheid om de voorwaarden van het privé-gebruik van de openbare weg te regelen.
Overeenkomstig artikel 7, § 1, eerste lid, BWHI zijn de gewesten bevoegd voor de organisatie en de uitoefening van het administratief toezicht op onder meer de gemeenten. In casu gaat het om een vervangend optreden van de bevoegde Vlaamse minister en is er sprake van een specifiek en bijzonder bestuurlijk toezicht.
 
9.4. De artikelen 68 en 69 BWHI zijn opgeheven bij artikel 28, 1°, en vervangen door artikel 21 en 22 van het bijzonder decreet van het Vlaams parlement van 7 juli 2006 „over de Vlaamse instellingen‟. Overeenkomstig deze bepalingen regelt de Vlaamse regering haar werkwijze en beraadslaagt zij collegiaal, onverminderd de door haar toegestane delegaties, volgens de procedure van consensus, over alle zaken die tot haar bevoegdheid behoren.
 
9.5. Luidens het toentertijd geldende artikel 2, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014, dat uitvoering geeft aan voornoemd bijzonder decreet van 7 juli 2006, is “[m]evrouw Liesbeth Homans, viceminister-president van de Vlaamse Regering, […] bevoegd voor: 1° de bestuurszaken, vermeld in artikel 3, § 1, 2°, van het organisatiebesluit”, waaronder het administratief toezicht op de gemeenten. Artikel 4, 4°, van het besluit van 25 juli 2014 bepaalt dat “[d]e aangelegenheden die bij artikel 2 […] zijn toegewezen aan de leden van de Vlaamse Regering [eveneens] de middelen en instrumenten [omvatten] waarmee deze aangelegenheden effectief gerealiseerd kunnen worden, onder meer wat betreft: […] het specifiek administratief toezicht”. Artikel 6, 4° van hetzelfde besluit bepaalt dat “[d]e leden van de Vlaamse Regering delegatie hebben voor: […] de uitoefening van het administratief toezicht op de regionale en lokale besturen”. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding was derhalve bevoegd om de bestreden toezichtsmaatregel te nemen.
 
9.6. De onder randnummer 8.2 door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag gaat uit van de verkeerde premisse “dat een onbeperkte delegatie van bevoegdheden wordt verleend aan elke Minister van de Vlaamse Regering”. De vraag dient niet te worden gesteld.
 
9.7. Uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de motiveringswet) volgt dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en dat de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.
 
9.8. Uit de motiveringswet volgt niet dat de verwijzing in een bestuurshandeling naar een wet of een reglement de precieze artikelen en het opschrift van de regelgeving moet vermelden. Het was voor de verzoekende partij mogelijk om de toepasselijke bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 te vinden; het blijkt niet dat zij in haar belangen zou zijn geschaad.
 
9.9. Evenmin houdt de formelemotiveringsplicht in dat in de bestreden beslissing moet worden uiteengezet op welke manier de minister van het dossier kennis heeft gekregen.
 
9.10. Het middel is ongegrond.
 
D. Vierde middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
10. De verzoekende partij roept in een vierde middel de schending in van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Zij meent dat de verwerende partij “een kennelijk onredelijke beslissing” heeft genomen.
 
De verzoekende partij acht in haar verzoekschrift de bestreden beslissing onredelijk omdat de chalet van de tussenkomende partij illegaal is, het openbaar domein dat wordt gebezigd, gelegen is in “een waardevolle natuurlijke omgeving”, en omdat het beleid van de verzoekende partij erop gericht is om weekendverblijven in deze zone te doen uitdoven en het karakter van recreatief bos te doen herleven.
 
Beoordeling
 
11.1. Vooreerst wordt vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen het kwestieuze weekendverblijf op 1 juli 2015 in het vergunningenregister als vergund geacht heeft opgenomen.
 
Waar de verzoekende partij refereert aan haar beleid zoals opgenomen in het GRS, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van het tweede middel.
 
Ten slotte is verzoeksters vermelding dat het openbaar domein in “een waardevolle natuurlijke omgeving” is gelegen, niet van aard om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te tonen.
 
11.2. Het middel wordt verworpen.
 
12. Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden.
 
 
BESLISSING
 
 
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
 
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechts-plegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
 
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
 
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend negentien, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter,
Jan Clement, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad,
bijgestaan door
Frank Bontinck, griffier.