Print

Raad van State - Arrest 242.087 van 10 juli 2018 - Optreden gemeenteraad bij beroep nietigverklaring benoeming burgemeester

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
242.087
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 10 juli 2018
Samenvatting
Aangezien de burgemeester bij het beroep een rechtstreeks belang heeft, dient overeenkomstig art. 193, § 1, van het gemeentedecreet, de gemeenteraad namens de gemeente op te treden.
De namens de gemeente door het CBS ingediende memorie van antwoord wordt uit het debat geweerd. De goedkeuring van die memorie door de gemeenteraad, buiten de termijn die voor het indienen ervan is bepaald, kan de onregelmatige indiening ervan door het CBS niet remediëren.
Tekst arrest
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
A R R E S T
 
nr. 242.087 van 10 juli 2018 in de zaak A. 218.107/X-16.490.
 
In zake : Jan DE DIER
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Jan Ghysels, Kris Wauters en Jo Rams
kantoor houdend te 1170 Brussel
Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen :
 
1. het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
kantoor houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46/1
bij wie woonplaats wordt gekozen
2. de GEMEENTE DENDERLEEUW
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Wim Rasschaert
kantoor houdend te 9300 Aalst
Désiré De Wolfstraat 18
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
--------------------------------------------------------------------------------------------------
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 15 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 16 november 2015 houdende het ontslag van de heer Jan De Dier als burgemeester van de gemeente Denderleeuw.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. Bij arrest nr. 238.770 van 4 juli 2017 wordt het debat heropend. 
 
De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een "tweede memorie van wederantwoord na heropening van de debatten" ingediend.
 
Auditeur Iris Verheven heeft een aanvullend verslag opgesteld.
 
De eerste verwerende partij heeft een tweede laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een tweede laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 mei 2018.
 
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
 
Advocaten Jan Ghysels en Jo Rams, die verschijnen voor verzoeker, advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocat Wim Rasschaert, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
 
Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
 III. Juridisch kader en feiten
 
3. Artikel 47bis, lid 1 tot 4, van het gemeentedecreet luidt:
 
“De gemeenteraad kan, bij volstrekte meerderheid van stemmen, de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vaststellen en brengt de Vlaamse Regering daarvan op de hoogte.
Op grond van die kennisgeving geeft de Vlaamse Regering aan de provinciegouverneur een bemiddelingsopdracht. De provinciegouverneur brengt de Vlaamse Regering op de hoogte van het resultaat van de bemiddeling.
Als de Vlaamse Regering vaststelt dat de bemiddeling van de gouverneur mislukt is en er zich geen oplossing aandient, brengt ze de gemeenteraad daarvan op de hoogte.
In dat geval kan de gemeenteraad vervolgens de procedure starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen. De gemeenteraad brengt de Vlaamse Regering daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarna de Vlaamse Regering de burgemeester ontslaat. De Vlaamse Regering stelt de gemeenteraad hiervan in kennis. De nieuwe burgemeester wordt benoemd overeenkomstig artikel 59 en 60. De aftredende burgemeester blijft in functie tot de installatie van de nieuwe burgemeester heeft plaatsgevonden. […].”
 
4. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2012 is te Denderleeuw een bestuurscoalitie gevormd, bestaande uit N-VA, CD&V en Open VLD-Plus. Verzoeker (N-VA) werd burgemeester.
 
5. Op 3 november 2014 stelt de gemeenteraad een eerste keer de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vast.
 
Op 5 februari 2015 beslist de gemeenteraad de procedure te starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen. Die beslissing wordt op vordering van verzoeker door de Raad van State bij arrest nr. 230.302 van 24 februari 2015 in haar tenuitvoerlegging geschorst omdat de gegevens die in de gemeenteraadsbeslissing van 3 november 2014 worden aangevoerd, afzonderlijk noch tezamen beschouwd zodanig lijken dat de gemeenteraad geacht kan worden op goede grond te hebben beslist dat er in de gemeente sprake is van een structurele onbestuurbaarheid. 
 
6. De gemeenteraad beslist op 25 juni 2015 om de gemeenteraadsbeslissingen van 3 november 2014 en 5 februari 2015 in te trekken, waarna hij voor de tweede keer de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vaststelt. Op het eind van een uitvoerige opsomming van de “talloze gebeurtenissen” die tot een bestuurlijke stilstand van de gemeente hebben geleid, overweegt de gemeenteraad in die beslissing:
 
“Overwegende dat de Raad van State […] vereist dat concrete voorbeelden uit de bestuurspraktijk doen aannemen dat het bestuur van de gemeente op vaste, blijvende wijze verlamd is of zeer ernstig ontregeld. Overwegende dat de Raad van State van oordeel was dat die elementen van een blijvende en duurzame bestuursverlamming op 3 november 2014 niet voorhanden waren;
Overwegende dat uit de hierboven weergegeven uiteenzetting duidelijk blijkt dat die elementen thans wel voorhanden zijn, inzonderheid gelet op
° de beperking van het exploitatiebudget van het college van burgemeester en schepenen tot uitgaven van maximaal 0 euro en het niet kunnen samenkomen van de gemeenteraad, waardoor er in Denderleeuw thans geen bestuursbeslissingen meer worden genomen;
° de niet-goedkeuring door de gemeenteraad van het meerjarenplan 2014-2019 en het budget 2015, waardoor de gemeente Denderleeuw reeds vanaf 1 januari 2015 moet werken met voorlopige twaalfden, een maatregel die afloopt op 30 juni 2015.
Overwegende dat ook de vele persartikels aantonen dat de bestuurlijke stilstand geen theoretisch gegeven is, maar zich daadwerkelijk in de praktijk laat voelen.”
 
In een nota van 2 september 2015 rapporteert de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding dat, na gesprekken te hebben gevoerd met alle protagonisten, zijn bemiddeling niet tot resultaat heeft geleid.
 
Op 6 oktober 2015 beslist de gemeenteraad een tweede maal om de procedure te starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen. Dit keer stelt verzoeker er geen schorsingsvordering bij de Raad tegen in. De Vlaamse minister besluit op 16 november 2015 tot het ontslag van verzoeker als burgemeester van de gemeente Denderleeuw. Dit is de bestreden beslissing.
 
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
 
Standpunt van de partijen
 
7. Verzoeker betwist de ontvankelijkheid van de memorie van antwoord ingediend door de tweede verwerende partij, “vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen”. Volgens verzoeker hebben “de actuele of zittende leden van het college van burg[e]meester en schepenen, minstens de burgemeester” een rechtstreeks belang bij de procedure en moest, gelet op artikel 193 van het gemeentedecreet, dan ook de gemeenteraad de gemeente hebben vertegenwoordigd bij het indienen van de memorie van antwoord.
 
8. De tweede verwerende partij betwist dat niet. Verwijzend naar het auditoraatsverslag waarin wordt geoordeeld dat minstens de burgemeester een prohibitief belang bij de procedure heeft, dient de gemeenteraad namens de gemeente een laatste memorie in, en keurt hij de memorie van antwoord goed. Beoordeling
 
9. Aangezien de burgemeester bij het voorliggende beroep een rechtstreeks belang heeft, dient ter zake, overeenkomstig artikel 193, § 1, van het gemeentedecreet, de gemeenteraad namens de gemeente op te treden.
 
De namens de gemeente door het college van burgemeester en schepenen ingediende memorie van antwoord wordt uit het debat geweerd. De goedkeuring van die memorie door de gemeenteraad, buiten de termijn die voor het indienen ervan is bepaald, kan de onregelmatige indiening ervan door het college van burgemeester en schepenen niet remediëren.
 
V. Onderzoek van de middelen
 
A. Tweede middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
10. Verzoeker leidt een tweede middel af uit “de schending van artikel 47bis van het Gemeentedecreet en het verbod op machtsafwending”. Hij licht toe dat het bestreden besluit steunt op en een uitvloeisel is van de beslissing van de gemeenteraad van Denderleeuw van 25 juni 2015 tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid, dat deze beslissing evenwel aangetast is door “een min of meer verborgen gebrek” dat verband houdt met de nagestreefde bedoeling, en dat namelijk uit het geheel van het dossier blijkt dat op 25 juni 2015 niet de beweerde structurele onbestuurbaarheid de gemeenteraad tot het nemen van de beslissing heeft aangezet, maar de enkele wil om een coalitiewissel door te voeren op grond van de bewering dat de coalitiepartners in het college van burgemeester en schepenen mekaar niet meer vertrouwen.
 
Beoordeling
 
11. Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Om tot een nietigverklaring te kunnen leiden, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling zijn.
 
12. Artikel 47bis van het gemeentedecreet strekt ertoe de mogelijkheid te geven om een nieuw college van burgemeester en schepenen aan te stellen in geval van structurele onbestuurbaarheid van de gemeente.
 
Die structurele onbestuurbaarheid is vóór alles een feitelijke aangelegenheid: werkelijk bestaande feitelijke gegevens die correct zijn vastgesteld en pertinent zijn, moeten redelijkerwijze doen aannemen dat het bestuur van de gemeente duurzaam onmogelijk blijkt of op zwaarwichtige punten spaak loopt.
 
Ook de obstructie van het bestuur die gebeurlijk uitdrukkelijk beoogd is, kan in aanmerking komen om de structurele onbestuurbaarheid te verantwoorden, met dien verstande dat de feiten die ter bewijs ervan worden aangevoerd niet kennelijk mogen verschijnen als louter de manifestatie van de wil om een nieuw college van burgemeester en schepenen aangesteld te zien worden. Tijdens de parlementaire voorbereiding van het artikel 47bis van het gemeentedecreet is uitdrukkelijk overwogen dat de onbestuurbaarheidsprocedure “geen motie van wantrouwen zoals in Wallonië” behelst (verslag namens de commissie, Parl.St. Vl.Parl. 2011-2012, nr. 1467/14, 15).
 
13. Het lijdt geen twijfel dat de verwerende partij met de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 welbewust aanstuurde op een nieuw college van burgemeester en schepenen. Of zij daartoe terecht de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vaststelde, dan wel of zij voor die vaststelling een beroep deed op feiten die fake zijn en kennelijk als een vals voorwendsel te bestempelen zijn, betreft de deugdelijkheid van de motieven.
 
Eventueel zal blijken dat deze motieven onvoldoende kunnen verantwoorden dat tot de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente in de zin van artikel 47bis van het gemeentedecreet werd beslist, waaruit dan volgt dat de gemeenteraad op 6 oktober 2015 onrechtmatig toepassing van dit artikel heeft gemaakt om tot de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen te komen.
 
Het zou in voorkomend geval echter niet uitwijzen dat er sprake is van machtsafwending doordat de gemeenteraad een ander oogmerk voor ogen stond dan het doel met het oog waarop in artikel 47bis is voorzien.
 
14. De vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente in een geval waarin ze er niet écht is, maakt niet op zichzelf machtsafwending uit.
 
15. Het tweede middel wordt verworpen.
 
B. Eerste middel
 
Uiteenzetting van het middel
 
16. Een eerste middel voert de schending aan “van artikel 47bis van het Gemeentedecreet, artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”.
 
In het verzoekschrift wordt in de eerste plaats uiteengezet dat de bestreden beslissing steunt op en een uitvloeisel is van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Denderleeuw van 25 juni 2015 tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid, maar dat die beslissing onwettig is en niet steunt op draagkrachtige motieven.
 
Volgens verzoeker moet het begrip “structurele onbestuurbaarheid” in artikel 47bis van het gemeentedecreet strikt worden geïnterpreteerd, waaruit volgt “dat onbestuurbaarheid enkel kan blijken in geval van langdurige ten gronde gaande inhoudelijke meningsverschillen tussen partijen”. Tevens betoogt hij dat met de structurele onbestuurbaarheid, de permanente en langdurige onbestuurbaarheid van het college van burgemeester en schepenen wordt bedoeld.
 
Ingaand op de concrete motieven van de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015, doet verzoeker gelden: X-16.490-9/18
- van de elementen met betrekking tot de periode tot en met 3 november 2014 heeft de Raad van State in zijn arrest van 24 februari 2015 al geoordeeld dat ze geen structurele onbestuurbaarheid verantwoorden;
- de gemeenteraad liet na de beweringen van de indieners van het voorstel tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid op hun waarachtigheid te toetsen en af te wegen;
- voor zover de bevoegdheden van schepen J. D. al zouden zijn ingetrokken op 11 december 2014, staaft dit geen structurele onbestuurbaarheid maar tracht het juist die te voorkomen;
- het afwezig blijven van de CD&V-schepenen op het college van burgemeester en schepenen vanaf 20 oktober 2014 heeft niet verhinderd dat het college op rechtsgeldige wijze is blijven bijeenkomen en te allen tijde bleef besturen, weliswaar door een aantal keren gebruik te maken van bepalingen waarin het gemeentedecreet voorziet “om aan een aantal scenario’s het hoofd te bieden”;
- waar de gemeenteraad laat verstaan dat sommige collegebeslissingen indruisen tegen de wensen van de afwezige CD&V-schepenen, geeft die raad toe dat het college van burgemeester en schepenen steeds is blijven besturen; - vaststellingen met betrekking tot de OCMW-raad betreffen niet de bestuurbaarheid van de gemeente;
- de verschillende klachten door N-VA tegen beslissingen van de gemeenteraad kunnen niet de onbestuurbaarheid van de gemeente meebrengen;
- uit het taalgebruik en de wijze van omgang tussen de verschillende leden van het college van burgemeester en schepenen, hoe laakbaar ook, volgt niet automatisch dat het bestuur van de gemeente om inhoudelijke redenen permanent onmogelijk zou zijn;
- de beperking van de bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen op 23 april 2015 “kadert eigenlijk binnen de gewone decretale bevoegdheidsuitoefening van de gemeenteraad” en is “eerder een teken van deugdelijk bestuur”; ook de herhaalde toepassing door het college van burgemeester en schepenen van artikel 157 van het gemeentedecreet toont aan dat er steeds antwoord werd geboden aan urgente aangelegenheden;
- het niet kunnen doorgaan van verschillende gemeenteraadszittingen omdat niet het vereiste aanwezigheidsquorum werd bereikt kan niet leiden tot de vaststelling X-16.490-10/18 dat de gemeente onbestuurbaar is aangezien een gemeente wordt “bestuurd” door het college van burgemeester en schepenen; door afwezig te blijven en door agendapunten van de gemeenteraad systematisch af te keuren hebben gemeenteraadsleden bewust getracht het te doen voorkomen dat de gemeente permanent niet bestuurd kan worden om zo een coalitiewissel te kunnen doorvoeren;
- de bezorgdheid van de administratie, de bevolking en het middenveld hoeft niet te verbazen, maar kan niet worden gelijkgesteld met een motief voor het structureel onbestuurbaar zijn van de gemeente; ze is het gevolg van het uitblijven van bestuursdaden ten gevolge van de blijvende en bewuste obstructie door gemeenteraadsleden.
 
Ten slotte benadrukt verzoeker in het verzoekschrift “dat doelbewuste destabilisatiemanoeuvres die ingegeven zijn om een coalitiewissel te kunnen doorvoeren omdat [men] liever met X bestuurt dan met Y, allerminst verenigbaar zijn met de restrictieve interpretatie die het begrip ‘structurele onbestuurbaarheid’ vereist”.
 
In latere procedurestukken voegt verzoeker ter zake nog toe dat “niet op grondwettige wijze toepassing [kan] worden gemaakt van artikel 47bis van het Gemeentedecreet in die situaties waarbij het onbestuur van een gemeente geënsceneerd wordt met de enkele intentie een nieuw schepencollege samen te stellen” en vraagt hij “[v]oor zover noodzakelijk” – begrepen wordt: indien de Raad van State daarover anders mocht denken – het Grondwettelijk Hof prejudicieel te ondervragen over de schending, door artikel 47bis van het gemeentedecreet, van “de artikelen 10 en 11 van de Grondwet al dan niet in samenhang genomen met de artikelen 41 en 162 van de Grondwet en het grondwettelijk beginsel van de lokale autonomie”.
 
Beoordeling
 
17. Ook al eerder dan op 25 juni 2015 – op 3 november 2014 – stelde de gemeenteraad van de gemeente Denderleeuw de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente vast.
 
Naar de Raad van State in zijn arrest nr. 230.302 oordeelde, waren de gegevens die in de gemeenteraadsbeslissing van 3 november 2014 werden aangevoerd niet van die aard dat de gemeenteraad geacht kon worden op goede grond, binnen de grenzen van de redelijkheid, te hebben beslist dat er in de gemeente Denderleeuw sprake is van een “structurele onbestuurbaarheid” in de zin van artikel 47bis van het gemeentedecreet.
 
18. Thans voert de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015, die ruim meer dan 60 bladzijden beslaat, de volgende gegevens aan: - de gemeenteraadszitting van 25 september 2014 waarop de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen voor exploitatie-uitgaven beperkt wordt tot 2500 euro;
- het ontnemen van de bevoegdheden van de eerste schepen door het college van burgemeester en schepenen op 11 december 2014;
- de systematische afwezigheid van de CD&V-mandatarissen vanaf 20 oktober 2014 van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen;
- het niet kunnen doorgaan van de gemeenteraad van 23 oktober 2014 wegens het niet bereiken van het aanwezigheidsquorum;
- de vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid tijdens de gemeenteraadszitting van 3 november 2014, en de afkeuring nadien van alle overige agendapunten;
- de stilstand binnen de OCMW-raad; - het afgelasten van de gemeenteraad van 27 november 2014 wegens onvoldoende aanwezigen en het wegstemmen van bijna alle agendapunten op de gemeenteraadszitting van 9 december 2014, inbegrepen over “belangrijke aangelegenheden” zoals de de gemeentelijke dotatie, de ontwerpbegroting 2015, de meerjarenplanning voor de politiezone Denderleeuw-Haaltert, en het X-16.490-12/18 subsidiereglement inzake de afkoppeling en lozing van hemelwater en afvalwater van gebouwen bij de aanleg van een gescheiden riolering of op eigen initiatief;
- het niet kunnen doorgaan van de gemeenteraadszitting van 18 december 2014 wegens het niet bereiken van het aanwezigheidsquorum;
- het niet kunnen doorgaan van de gemeenteraadszitting van 22 januari 2015 vanwege te weinig aanwezigen;
- het niet goedkeuren van belangrijke agendapunten op de gemeenteraad van 9 februari 2015; tot de verstrekkende gevolgen behoort onder andere dat de gemeente nog steeds moet blijven werken met voorlopige twaalfden;
- de vergadering van de gemeenteraad van 26 maart 2015, tweede oproeping, waarop alle punten van de tweede oproeping van tafel worden geveegd;
- de bezorgdheden van de schooldirecteur van de gemeentelijke basisschool omdat bepaalde beslissingen op onderwijsvlak uitblijven;
- de gemeenteraadsvergadering van 10 april 2015 waarop een resem punten weer geen goedkeuring krijgen;
- het tumultueuze verloop van de gemeenteraad van 23 april 2015 en de goedkeuring van de bevoegdheidsbeperking van het college waardoor het dagelijks bestuur inzake overheidsopdrachten voor exploitatie-uitgaven wordt beperkt tot uitgaven waarvan het bedrag niet hoger is dan 0 euro;
- het niet kunnen doorgaan van de gemeenteraad van 28 mei 2015;
- de toelating van de Vlaamse minister bevoegd voor binnenlands bestuur om te blijven werken met voorlopige twaalfden tot een maximale grens van zes twaalfden (tot 30 juni 2015);
- de noodzaak om twee keer de uitzonderingsmaatregel van artikel 157 van het gemeentedecreet toe te passen om tegemoet te komen aan situaties van hoogdringendheid;
- de gevolgen van de bestuurlijke stilstand die in meerdere persartikels uitgesmeerd worden; - het lange wachten op een brandweerkazerne en de schuimtapijtactie van de brandweer;
- de malaise bij het gemeentepersoneel; X-16.490-13/18
- de onmogelijkheid voor de gemeenteraad om op 28 mei 2015 geldig te beraadslagen en het opnieuw van tafel vegen van een reeks punten op de gemeenteraadszitting van 10 juni 2015;
- de gevolgen van “de 0 euro beslissing (gemeenteraad van 23/4/15)” en de zeer talrijke persartikelen hieromtrent.
 
19. Verzoekers weerlegging van die motieven mag dan wel uitgebreid zijn, net op de twee meest zwaarwegende punten die de gemeenteraad “inzonderheid” doet gelden (zie sub randnumer 6), is zijn tegenspraak onbestaande, minstens bijzonder schraal.
 
20. Zo wijst de gemeenteraad er in het bijzonder op dat, bij gebrek aan een goedgekeurd meerjarenplan 2014-2019 en een goedgekeurd budget 2015, al zes maanden met voorlopige twaalfden wordt gewerkt en dat die maatregel afloopt op 30 juni 2015. Weliswaar vroeg, volgens de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015, de gemeente op 10 maart 2015 aan de bevoegde minister om voort te mogen blijven werken met voorlopige kredieten tot einde 2015, maar de minister liet weten dat zij slechts toelating geeft tot een maximale grens van zes twaalfden.
 
Verzoeker ziet ter zake weinig problemen: er is altijd tijdig verzocht om de toestand met voorlopige twaalfden te verlengen en eventueel wordt door het college van burgemeester en schepenen wel artikel 157 van het gemeentedecreet toegepast, waarmee wordt aangetoond dat urgente aangelegenheden steeds een antwoord krijgen.
 
Zoals in de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 niet onterecht wordt opgemerkt is de toepassing van artikel 157 van het gemeentedecreet, dat in de mogelijkheid voorziet om zonder budgetwijziging over de uitgaven te beslissen die voor dwingende en onvoorziene omstandigheden vereist zijn, een “absolute uitzonderingsregel”. Hij moest door het college van burgemeester en schepenen al twee keer worden toegepast: een keer omdat er geen brandstof meer was voor de schoolbussen, vrachtwagens en dienstwagens en een keer voor het leegmaken van een volle septische put in de kinderopvang te Welle.
 
Er is niet minder sprake van een noodsituatie omdat er met een noodgreep de allerscherpste kantjes van afgehaald kunnen worden.
 
21. Evenmin deelt de Raad van State verzoekers nogal luchtige kijk op het feit dat sinds 23 april 2015 de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot het dagelijks bestuur inzake overheidopdrachten voor exploitatie-uitgaven nog meer is ingeperkt dan al het geval was en meer bepaald tot 0 euro werd herleid.
 
Dat die beperking door de gemeenteraad een toepassing van het gemeentedecreet is, mag waar zijn. Maar dat het ook “eerder een teken van een deugdelijk bestuur” zou zijn, neigt naar het groteske.
 
Dat is te dezen des te meer het geval nu de gemeenteraad nog slechts zeer onregelmatig blijkt samen te komen en, zoals de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 aangeeft en door quasi alle gesprekspartners die de gouverneur tijdens zijn bemiddelingsopdracht hoorde wordt bevestigd, er amper, tot geen, bestuursbeslissingen meer worden genomen. Verzoeker geeft dit laatste impliciet toe waar hij schrijft dat de bezorgdheid van de administratie, de bevolking en het middenveld om reden van het uitblijven van bestuursdaden “niet hoeft te verbazen” – al moet wat hem betreft dat uitblijven aan bewuste obstructie worden toegeschreven.
 
22. De uiteenzetting van verzoeker in het besproken middel kan niet wegmaken of verhullen dat de bestuurlijke vertraging en het gepolemiseer binnen het gemeentebestuur – aan welk gepolemiseer verzoeker duchtig bijdraagt – sinds de eerste beslissing tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid alleen maar zijn voortgezet en verdiept. Hierdoor blijken naar het oordeel van de Raad van State, anders dan op 3 november 2014, op 25 juni 2015 wel voldoende overtuigende gegevens voorhanden die een structurele onbestuurbaarheid aannemelijk maken.
 
23. Zoals hiervoor overwogen mogen deze gegevens, om de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 te kunnen dragen, evenwel niet fake zijn of klaarblijkelijk geënsceneerd om tot een anders samengesteld college van burgemeester en schepenen te komen. Precies om die reden, overigens, doet de hypothese waarin verzoeker een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld wil zien, zich niet voor.
 
24. Dat er te dezen sprake zou zijn van een geveinsde onbestuurbaarheid leidt verzoeker in essentie af uit de afwezigheid van ten gronde gaande meningsverschillen.
 
Of dergelijke meningsverschillen inderdaad niet bestaan, kan betwijfeld worden. Reeds in (randnummer 14 van) het arrest van 24 februari 2015 werden inhoudelijke meningsverschillen met betrekking tot de evaluatie voor de decretale graden en het maken van een filmpje voor de basisscholen aangenomen, weze het dat er toen nog geen onbestuurbaarheid uit geconcludeerd kon worden. Ook zijn er bijvoorbeeld de dossiers “zonnepanelen” en “site Van Roy”, die verzoeker zelf te berde brengt tijdens zijn gesprek met de gouverneur, ter gelegenheid van diens bemiddelingsopdracht, en “die maar niet opgelost geraken”.
 
De N-VA-voorzitter van de gemeenteraad, G. V., dan weer, heeft het in zijn gesprek met de gouverneur over “inhoudelijke conflicten” die in de toekomst beter in de geheime zitting worden uitgevochten dan – zoals “op de laatste gemeenteraadszitting” gebeurde – in de openbare zitting. 25. Van al degenen met wie de gouverneur in het kader van die bemiddelingsopdracht een gesprek heeft, is verzoeker de enige die “blijft vinden” dat er geen echte onbestuurbaarheid is.
 
Zelfs zijn partijgenoten hebben hierover een andere mening. J. D., voorzitter van de plaatselijke N-VA-afdeling laat optekenen “dat de gemeente effectief door de bestaande tegenstellingen onbestuurbaar werd”. De NVA-afdeling zal geen stappen zetten die “de uitspraak van onbestuurbaarheid zou[den] vertragen” en wil integendeel dat er een nieuwe meerderheid gevormd wordt.
 
Het leidt tot onvrede bij verzoeker en finaal tot zijn exit uit de partij, in oktober 2015.
 
26. Maar uiteindelijk onderneemt ook verzoeker zelf niets tegen de gemeenteraadbeslissing van 6 oktober 2015 om de procedure te starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen – wat zich maar moeilijk laat begrijpen als hij inderdaad van mening is dat de structureleonbestuurbaarheidsverklaring waarop de gemeenteraadsbeslissing gebaseerd is en die zijn burgemeesterschap bedreigt, geveinsd zou zijn.
 
Zoals verzoeker immers goed weet, kan in geval van een onwettige structurele-onbestuurbaarheidsverklaring met succes worden voorkomen dat een nieuw college van burgemeester en schepenen wordt aangesteld, middels een schorsingsvordering bij de Raad van State tegen de beslissing om de procedure te starten voor de aanstelling van dat nieuw college. Zo slaagde hij er met een vordering tegen de eerste gemeenteraadsbeslissing tot het starten van de procedure voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen, van 5 februari 2015, in om die procedure te doen mislukken.
 
Toch laat hij zonder meer betijen wanneer de tweede beslissing wordt genomen om de procedure te starten voor de aanstelling van een nieuw college van burgemeester en schepenen en vecht hij ze niet aan, al zou ze op een gefingeerde grond berusten.
 
Naar werd vermeld in de gesprekken die de gouverneur voerde, “vertelde de burgemeester aan TV Oost op 11 augustus [2015] dat hij over voldoende realiteitszin beschikt om dit niet te doen”.
 
27. In de gegeven omstandigheden kan de Raad van State er niet toe komen om de motieven van de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 kennelijk als een façade te beschouwen waarachter niets méér schuilgaat dan de wil om tot een nieuw college van burgemeester en schepenen te komen.
 
28 Verzoeker doet niet aannemen dat de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 onwettig is en dat, door op die beslissing te steunen, het aangevochten ministerieel besluit van 16 november 2015 om hem als burgemeester te ontslaan de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen schendt.
 
Ook het eerste middel wordt verworpen.
 
BESLISSING
 
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
 
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die aan elk van de verwerende partijen verschuldigd is. X-16.490-18/18
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 10 juli 2018,
door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
 
Johan Lust, kamervoorzitter,
Jan Clement, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
 
De griffier
Silvan De Clercq
 
De voorzitter
Johan Lust