Print

Raad van State - Arrest 241.517 van 17 mei 2018 - Registratie van aanvragen van inwoners om voor een bepaalde periode in het Frans te worden bediend

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
241.517
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
donderdag 17 mei 2018
Samenvatting

/

Tekst arrest
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
ALGEMENE VERGADERING
 
ARREST
 
nr. 241.517 van 17 mei 2018
in de zaak A. 223.243/Abis-20
 
In zake:
 
Charles DANIS
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Jérôme Sohier
kantoor houdend te 1000 Brussel
Emile De Motlaan 19
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
tegen:
 
het VLAAMS GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Bart Staelens
advocaat houdend te 8000 Brugge
Gerard Davidstraat 46 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
 
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 september 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing vervat in de brief van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 13 juli 2017 met betrekking tot de "registratie van aanvragen van inwoners om voor een bepaalde periode in het Frans te worden bediend".
 
Verzoeker, een inwoner van de gemeente Kraainem, vraagt in het opschrift van het verzoekschrift dat de zaak conform artikel 93, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt behandeld door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verwerende partij heeft het administratief dossier en een nota met opmerkingen ingediend.
 
Eerste auditeur Denis Delvax en auditeur Jurgen Neuts hebben een verslag opgesteld.
 
Van het verslag is aan de partijen kennis gegeven.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018.
 
Kamervoorzitter Johan Lust en staatsraad Pascale Vandernacht hebben verslag uitgebracht.
 
Advocaten Jérôme Souhier en Manoël De Keukelaere, die verschijnen voor verzoeker, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
 
Eerste auditeur Denis Delvax en auditeur Jurgen Neuts hebben een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
 
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3. Op 20 juni 2014 doet de Raad van State met arresten nrs. 227.775 en 227.776 uitspraak in de respectieve zaken A. 208.344/Abis-3 en A. 208.346/Abis-4.
 
In die arresten overweegt de Raad van State onder meer wat volgt over de interpretatie van de op de randgemeenten van toepassing zijnde artikelen 25, 26 en 28 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet):
 
"[...] de Raad van State [wordt] dus gadieerd met betrekking tot de interpretatie van de bepalingen van de bestuurstaalwet die van toepassing zijn op de randgemeenten.
Het gaat meer bepaald om de interpretatie van de volgende bepalinge:
'Afdeling 4
Randgemeenten
Onderafdeling 1
Gemeenschappelijke bepalingen voor al de randgemeenten
[...]
Artikel 25. In hun betrekkingen met een particulier gebruiken dezelfde diensten de door betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is.
[...]
Artikel 26. Meergenoemde diensten stellen de aan de particulieren uitgereikte getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in het Nederlands of in het Frans, naar gelang van de wens van de belanghebbende.
[...]
Onderafdeling 2
Bijzondere bepalingen ten behoeve van de te Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel gevestigde plaatselijke diensten.
Artikel 28. In de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek en Wemmel worden, naar gelang van de wens van de belanghebbende, de akten gesteld in het Nederlands of in het Frans.
[...]
Het aangehaalde artikel 25 maakt gewag van 'de door betrokkene gebruikte taal' en de aangehaalde artikelen 26 en 28 van 'de wens van de belanghebbende'.
In artikel 25 wordt neit bepaald op welke wijze de administratie te weten moet komen welke taal de betrokkene gebruikt. In de artikelen 26 en 28 wordt niet nader bepaald op welke wijze 'de wens van de belanghebbende' om de in die bepalingen bedoelde documenten en akten in het Nederlands of in het Frans te verkrijgen, aan het bestuur te kennen moet worden gegeven en op welke concrete manier het bestuur die wens mag of moet vaststellen.
Om de draagwijdte van die bepalingen na te gaan, moeten ze worden gezien in de ruimere context van de taalregeling in België.
Het Arbitragehof (thans: Grondwettelijk Hof) heeft in zijn arrest nr. 26/98 van 10 maart 1998 omtrent die taalregeling het volgende gesteld:
'B.4.1. Hoewel de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken ten behoeve van Franstalige inwoners in de randgemeenten in een bijzondere regeling voorzien die hen toelaat hun betrekkingen met de plaatselijke diensten in het Frans te voeren en die aan die diensten de verplichting opleggen om in bepaalde in die wetten nader omschreven omstandigheden het Frans te gebruiken, doet die regeling geen afbreuk aan het principieel eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied, waartoe die gemeenten behoren. Zulks impliceert dat de taal die er in bestuurszaken moet worden gebruikt in beginsel het Nederlands is en dat bepalingen die het gebruik van een andere taal toestaan niet tot gevolg mogen hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de door artikel 4 van de Grondwet gewaarborgde voorrang van het Nederlands.'
Meer recentelijk heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 124/2010 van 28 oktober 2010 (overweging B.12) uit artikel 16bis van de bijzonderewet van 8 augustus 1980 'tot hervorming der instellingen' afgeleid dat de bijzondere wetgever ernaar streeft 'een evenwicht te verwezelijken tussen de belangen van verschillende gemeenschappen en de gewesten binnen de Belgische Staat', hetgeen 'een fundamenteel element van het institutionele evenwicht van de Belgische Staat vormt' en dat daarmee gemeenschapswetgevers, de naleving [wordt opgelegd] van de waarborgen ten behoeve van de Nederlandstaligen, Franstaligen en Duitstaligen in de gemeenten met een bijzondere taalregeling'.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de interpretatie van de rechten van de personen die in de randgemeenten wonen en die in hun betrekkingen met de gemeentelijke overheid het Frans wensen te gebruiken, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten en met de wil van de grondwetgever en van de bijzondere wetgever, die er steeds in heeft bestaan het eentalig karakter van het Nederlandse taalgebied te bevestigen, maar de particulieren van de randgemeenten evenwel toe te laten om de Franse taal te gebruiken in hun betrekkingen met de gemeenschappelijke overheid. Teneinde deze eentaligheid bestaanbaar te maken met de aldus erkende faciliteiten dient een billijk evenwicht te worden gevonden tussen de in het het geding zijnde belangen.
In dat verband is het enerzijds zo dat een ruime interpretatie van die rechten, voorgestaan door verzoekter, volgens welkj het zou volstaan dat particulieren die één keer de wens te kennen hebben gegeven om in het Frans te worden bediend, vervolgens ook automatisch en voor altijd opnieuw de documenten in het Frans zouden ontvangen, niet verenigbaar is met die voorrangsstatus; de interpretatie van de Vlaamse regering die erin bestaat dat de belanghebbende welbepaalde stappen moet ondernemen telkens hij in het Frans wenst te worden bediend, houdt anderzijds een onevenredige inperking in van de rechten die gewaarborgd worden door de aangehaalde artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet.
Beide voornoemde interpretaties zijn dus onrechtmatig.
Teneinde rekening te houden zowel met de voorrangsstatus van het Nederlands in het eentalig Nederlands taalgebied als met de rechten die in de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet aan de particulieren van de randgemeenten worden gewaarborgd, moet ervan worden uitgegaan dat, bij afwezigheid van een specifiek verzoek van de particulier aan de gemeentelijke overheid, hetwelk altijd mogelijk is bij een welbepaald mondeling contact of met betrekking tot een welbepaald document, die overheid moet terugvallen op hetgeen zij weet over de taal van de particulier. Die particulier is evenwel ertoe gehouden om op redelijk geregelde tijdstippen het bestuur ervan op de hoogte te brengen dat hij in het Frans wenst te worden bediend. De overheid dient te refereren aan die keuze, waarvan zij alleen kennis kan nemen aan de hand van een brief die de particulier met dat doel naar het gemeentebestuur zendt of aldaar neerlegt. Die keuze geldt gedurende een redelijke termijn, namelijk gedurende een termijn van vier jaar, te rekenen vanaf de ontvangst of de neerlegging van de bedoelde brief bij het gemeentebestuur. Ná het verstrijken van die termijn van vier jaar kan de particulier met een nieuwe brief aan het gemeentebestuur zijn keuze hernieuwen, telkens voor een nieuwe termijn van vier jaar. Een bewijs van ontvangst of neerlegging van de brief wordt telkens door het gemeentebestuur onverwijld naar de betrokken particulier gezonden."
 
4. Met een brief van 17 mei 2017 vraagt de Vlaams minister van Binnelands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding ambtshalve aan de gemeente Kraainem om haar "de collegebesluiten/gemeenteraadsbesluiten te bezorgen die er genomen zijn i.v.m. de toepassing van de taalfaciliteiten zoals verwoord in de overwegingen van het arrest van de Raad van State van 30 juni 2014".
 
In haar schrijven van 21 juni 2017 antwoordt de gemeente Kraainem dat "hieromtrent nooit college- of gemeenteraadsbesluiten genomen [werden]".
 
De Vlaamse minister dupliceert met een brief van 13 juli 2017 als volgt:
 
"In uw brief meldt u mij dat in de gemeente Kraainem geen gemeenteraads- of collegebeslissingen werden genomen in dit verband. Niettemin heb ik vernomen dat de gemeente Kraainem van start is gegaan met de registratie van de taal van de inwoners, zodat deze inwoners voor een bepaalde periode in het Frans kunnen worden bediend indien zij dit wensen.
Ik wens u in dit verband met nadruk op het volgende te wijzen.
De invoering van een systeem van registratie van taalaanhorigheid door de gemeente is niet in overeenstemming met de voorrang van het Nederlands in de gemeenten an het Nederlandstalig taalgebeid, zoals gewaarborgd door artikel 4 van de Grondwet en met de artikelen 25, 26 en 28 SWT zoals uitgelegd in de Omzendbrieven BA97/22 van 16 december 1997 (omzendbrief Peeters), WE 1998/01 van 3 februari 1998 (omzendbrief Keulen) en BB 2010/03 van 7 mei 2010(omzendbrief Bourgeois).
Deze omzendbrieven werden aangenomen omdat vastgesteld werd dat de toenmalige bestuurspraktijk, die in wezen neerkwam op tweetaligheid, niet in overeenstemming was met het principe van de voorrang van het Nederlands zoals geformuleerd in artikel 4 van de Grondwet. De omzendbrieven hebben toen voor het eerst geregeld op welke manier dit zou gebeuren, namelijk elke keer opnieuw verzoeken om in het Frans bediend te worden en de omzendbrieven hebben ook uitdrukkelijk vastgelegd dat taalregistratie niet mogelijk was.
In zijn arresten nrs. 138.860 t.e.m. 138.863 van 23 december 2004 heeft de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring van de omzendbrief BA 97/22 van 16 december 1997 verworpen. De inhoud van deze arresten werd nogmaals bevestifd in het arrest nr. 184.353 van 19 juni 2008.
De omzendbrief BA 97/22 van 16 december 1997, die aan de colleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht, en de daarin vervatte interpretatie van de bestuurstaalwetgeving, is met andere woorden nog steeds van toepassing. Hetzelfde geldt overigens ten aanzien van de omzendbrieven WE 1998/01 van 3 februari 1998, BA 2005/03 van 8 juli 2005, alsook de omzendbrief BB 2010/03 van 7 mei 2010, inzake het verbod op registratie van taalvoorkeur, die eveneens aan de olleges van burgemeester en schepenen van de gemeenten van het Nederlandse taalgebied ter kennis werd gebracht.
Bovendien heeft het standpunt dat de Raad van Sttae inneemt in het arrest 227.775 d.d. 20 juni 2014 in verband met de taalregistratie geen kracht van gewijsde aangezien ze niet onverbrekellijk verbonden is met het beschikkend gedeelte van het arrest. De vernietiging blijkt immers enkel gesteund te zijn op de vaststelling dat de beslissing tot niet-benoeming van mevrouw Caprasse een 'deugdelijke materiële grondslag' miste in zoverre in deze beslissing de morele eigenschappen van de kandidaat-burgemeester 'uitsluitend werden beoordeeld op grond van haar mogelijke intentie betreffende de aan te nemen houding ten aanzien van een specifiek rechtsprobleem, geuit na een discussie met de provinciegouverneur, zonder dat verzoekster enige concrete, feitelijke tekortkoming ten laste wordt gelegd'. Het standpunt dat in het arrest werd ingenomen over de toepassing van de SWT (meer bepaald de artikelen 25, 26 en 28 SWT) is kennelijk als een obiter dictum te beschouwen. Er kan geen gezag of kracht van gewijsde aan worden toegekend.
De faciliteiten die de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurzaken verlenen moeten bijgevolg restrictief worden toegepast, wat impliceert dat de particulier in zijn betrekkingen met de plaatselijke diensten van een randgemeente telkens uitdrukkelijk moet verzoeken om het Frans te gebruiken. Uiteindelijk werden de faciliteiten ingesteld om de integratie van Franstaligen in het Nederlandse taalgebied te bevorderen. In de praktijk betekent dit dat elke plaatselijke dienst uit de facilteitengemeenten in zijn betrekkingen met inwoners uit faciliteitengemeenten het Nederlands gebruikt. Enkel wanneer een inwoner uit een rand- of taalgrensgemeente daar telkens uitdrukkelijk om verzoekt, wordt het Frans gebruikt. In deze context is het van belang nogmaals te wijzen op het uitzonderingskarakter van de faciliteiten. Dit wil derhalve zeggen dat faciliteiten niet autoomatisch, blijvend, worden verleend. Ze moeten keer op keer worden aangevraagd. Het is dus uitgesloten dat particulieren die eens het gebruik van het frans hebben gevraagd later automatisch opnieuw in het Frans wordne aangeschreven. Het taalgebruik van een particulier is immers geen statisch gegeven. Men kan veronderstellen dat de betrokkene zich ondertussen heeft geïntegreerd en dat hij de Nederlandse taal dermate machtig is dat hij aanvaardt in het Nederlands te worden aangesproken of aangeschreven."
 
Dit is de bestreden beslissing.
 
Standpunt van de partijen 
 
5. Naar de mening van verzoeker is de bestreden "directieve" brief te vergelijken of gelijk te stellen met een reglementaire rechtshandeling, die mag worden bestreden door iedereen op wie ze kan worden toegepast of die er direct de gevolgen van ondervindt.
 
6. verwijzend naar haar nota nin de zaak A. 223.127/Abis-19, vraagt de verwerende partij zich onder meer af of haar schrijven van 13 juli 2017 niet gewoon "als een soort ingebrekestelling, een aanmaning" is te aanzien, in welk geval de brief een niet aanvechtbare bestuurshandeling zou zijn.
 
Beoordeling
 
7. In haar brief van 13 juli 2017 wijst de verwerende partij de gemeente Kraainem erop dat een systeem van registratie van taalaanhorigheid door de gemeente niet conform is met de uitlegging van artikel 4 van de Grondwet en van de artikelel 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet die zij eerder gaf in omzendbrieven uit 1997, 1998, 2005 en 2010, waarvan de inhoud "nog steed van toepassing" is. Naar de verwerende partij voorts laat verstaan is volgens haar geen rekening te houden met het standpunt in het arrest van de Raad van State nr. 227.775 van 20 juni 2014 over de toepassing van de artikelen 25, 26 en 28 van de bestuurstaalwet omdat het kennelijk als een obiter dictum moet worden beschouwd en er geen gezag of kracht van gewijsde aan toekomt. 
 
8. Als zodanig komt de brief - allezins in de huidige stand van de procedure - voor geen eigen rechtsgevolgen te beoogen, maar is hij er wezelijk toe beperkt te herinneren aan de interpretatie van de bestuurstaalwetgeving die de verwerende partij in vroegere omzendbrieven gaf.
 
Een dergelijke brief laat zich niet kwalificeren als een voor vernietiging, en bijgevolg schorsing, vatbare handeling.
 
9. Deze vaststelling volstaat om de vordering in haar geheel te verwerpen.
 
BESLISSING
 
De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
 
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend achttien van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld als volgt:
 
de HH. Roger Stevens, Eerste Voorzitter van de raad van State, Voorzitter van de Algemene Vergadering,
Jacques Jaumotte, Voorzitter van de Raad van State,
Dierk Verbiest, kamervoorzitter,
Jacques Vanhaeverbeek, kamervoorzitter,
Johan Lust, kamervoorzitter,
Geert Debersaques, kamervoorzitter,
Mevr. Colette Debroux, kamervoorzitter,
de HH. Imre Kovalovszky, kamervoorzitter,
Bruno Seutin, staatsraad,
Pierre Lefranc, staatsraad,
Jan Clement, staatsraad,
Mevr. Pascale Vandernacht, staatsraad,
de HH. Michel Pâques, staatsraad,
Stephan De Taeye, staatsraad,
Luc Cambier, staatsraad,
Bert Thys, staatsraad,
Pierre Barra, staatsraad,
Mevr. Diane Déom, staatsraad,
de HH. Peter Sourbron, staatsraad,
Yves Houyet, staatsraad,
Mevr. Anne-Françoise Bolly, staatsraad,
de Heer Frédéric Gosselin, staatsraad,
bijgestaan door
de Heer Gregory Delannay, hoofdgriffier.
 
De Hoofdgriffier
Gregory Delannay
 
De eerste Voorzitter
Roger Stevens