Print

Raad van State - Arrest 238.583 van 20 juni 2017 - Beroepscommissie voor tuchtzaken - Tuchtstraf

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
238.583
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 20 juni 2017
Samenvatting
 

Gelet op art. 92 van het decreet van 29 juni 2012 worden tuchtvorderingen die op 1 januari 2013 hangende zijn voort afgehandeld overeenkomstig het art. 141 van het gemeentedecreet (hervormingsrecht) zoals dat gold tot aan zijn opheffing. De overgangsbepaling van art. 92 is niet minder rechtsgeldig omdat ze niet in het gemeentedecreet werd ingevoegd. De afhandeling van een tuchtvordering omvat ook de afwikkeling van het georganiseerd bestuurlijk beroep. Gelet op het vernietigingsarrest van de RvS was de tuchtvordering op 1 januari 2013 nog geenszins afgehandeld, en werd de initiële verplichting voor de beroepscommissie om uitspraak te doen over het georganiseerd bestuurlijk beroep geactiveerd.

De vraag die verzoekster wil doen stellen verschilt alleen op het punt van een toevoeging, die ertoe beperkt is te bepalen dat de oude regeling voort blijft gelden voor de op dat moment hangende tuchtvorderingen, vande vraag die reeds door het GwH beantwoord is. In dit licht verschijnt de toevoeging als niet meer dan een louter voorwendsel. De vraag die verzoekster opwerpt is wel degelijk te beschouwen als een vraag met een identiek onderwerp waarover het GwH reeds uitspraak heeft gedaan. De vraag wordt dan ook niet gesteld.

Zaak is of een (tucht)feit de betrokkene verwijtbaar, toerekenbaar is; een andere of er al dan niet redenen zijn waarmee bij de oplegging van een straf voor een verwijtbaar feit rekening moet worden gehouden. De beroepscommissie meent dat er, met het oog op het eenredigheidsbeginsel, aanleiding toe is om bij de afweging en bepaling van de strafmaat de psychische toestand van D.V. in acht te nemen. Verzoekster was, spijts de afwezigheid van enig "medisch stuk", voldoende van de psychische toestand van D.V. op de hoogte om er bij het nemen van de collegebeslissing rekening mee te kunnen houden.

Tekst arrest
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
 
Xe KAMER
 
ARREST
 
nr. 238.583 van 20 juni 2017
in de zaak A. 211.663/X-16.028.
 
In zake: 
 
de GEMEENTE EDEGEM
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Stijn Verbist
kantoor houdend te 2000 Antwerpen
Graaf Van Hoornestraat 51
bij wie woonplaats wordt
 
tegen:
 
het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door:
1. de Vlaamse regering
2. de beroepscommissie voor tuchtzaken
 
I. Voorwerp van het beroep
 
1. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2014, strekt tot de nietigverklaring van "de beslissing dd. 17 december 2013 van de Beroepscommissie voor tuchtzaken van het statutaire gemeente- provincie- en OCMW-personeel [...] waarmee het door [D.V.] ingestelde beroep tegen het besluit van 16 mei 2011 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Edegem waarbij aan [D.V.] de tuchtstraf wordt opgelegd van 'inhouding van salaris met 40% gedurende een termijn van 6 maanden, vanaf 18 mei 2011' gegrond wordt verklaard en aan [D.V.] de tuchtsanctie van de blaam wordt opgelegd uit hoofde van het door de Beroepscommissie bewezen verklaarde tuchtfeit".
 
II. Verloop van de rechtspleging
 
2. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
 
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld.
 
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
 
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017.
 
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
 
Advocaat Joris Claes, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
 
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
 
Er is een toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
 
III. Feiten
 
3. D.V. is sinds 1976 in dienst bij de gemeente Edegem. Hij oefent er sinds 1998 de functie van diensthoofd Informatica uit. Van 20 november 2008 tot en met 18 oktober 2009 is hij afwezig wegens ziekte. Hij wordt op 12 oktober 2009 aangesteld in de functie van stafmedewerker Technische en technologische projecten.
 
Met een brief van 27 oktober 2010 deelt het college van burgemeester en schepenen hem mee dat het beslist heeft een tuchtdossier tegen hem te openen op basis van volgende feiten:
 
"- de wijze waarop u in gesprekken met anderen uw ongenoegen uit over uw werksituatie en daarbij bedreigingen uit t.a.v. uw hiërarchisch oversten;
 
- de wijze waarop u invulling geeft aan uw nieuwe funtie en verschillende argumenten ontwikkelt om opdrachten niet of slechts gedeeltelijk uit te voeren, zonder dat daar kennelijk medische gronden voor zijn;
 
- de ingesteldheid en houding op het werk die ongerustheid creëert voor uw onmiddellijke werkomgeving."
 
Bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van 17 januari 2001 wordt D.V. voor een termijn van 4 maanden preventief geschorst in afwachting van een besluit over eventuele tuchtmaatregel. Het beroep ertegen van D.V. wordt door de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) ongegrond bevonden op 23 juni 2011.