Print

Raad van State - Arrest 238.269 van 19 mei 2017 - Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
238.269
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
vrijdag 19 mei 2017
Samenvatting

Het bestreden gemeentelijk RUP grieft de verzoekende partij door de uitsluiting van haar perceel. Deze uitsluiting is een weloverwogen en doelbewuste weigering. Deze beslissing die uitdrukkelijk beoogt bepaalde rechtsgevolgen te beletten, is wel degelijk voor vernietiging vatbaar. De eventuele nietigverklaring van de weigering om het perceel op te nemen heeft tot gevolg dat de gemeente zich opnieuw over de aangelegenheid moet uitspreken, op straffe van schending van het gezag van gewijsde. Zij beschikt daartoe weer over de termijn waarin de VCRO voorziet. Niets doen zou erop neerkomen dat de gemeente, niettgenstaande de uitgesproken nietigverklaring voort in de weigering volhardt.

De verwerende partij blijkt, zowel in haar structuurplan als bij de opmaak van het bestreden RUP, zelf te zijn uitgegaan van de noodzakelijke planologische samenhang tussen verzoeksters perceel en het nieuwe dorpsplein. De vernietiging dient in voorkomend geval betrekking te hebben op de uitsluiting van het perceel van de verzoekende partij en op het geheel van de deelruimte centrum van het RUP, dit is het gedeelte van aan de uiterst noordoostelijke grenslijn van de "perimeter RUP" (art. 25) tot aan de "zone voor nuts- en gemeenschapsvoorzieningen - kerk" (art. 11) en de naastliggende zones "voor wonen centrum" (art. 7) en zone met "overdruk voor de oude begraafplaats" (art. 18).

Het tijdens de formele besluitvormingsprocedure uitsluiten van een perceel dat door het voorlopig vastgestelde ontwerp van RUP werd herbestemd, kan niet anders dan beschouwd worden als een wijziging aan het ontwerp. Deze uitsluiting vloeit niet voort uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide diensten en overheden, of het advies van de Gecoro. Zodoende staat de schending van art. 2.2.14, § 6, VCRO vast. Het blijkt ook niet om welk met de ruimtelijke ordening verband houdend motief de verwerende partij afgeweken zou zijn van het advies van de Gecoro.

Het blijkt niet dat er op basis van het bestreden RUP reeds een vergunning zou zijn afgegeven. Het enkele gegeven dat een vergunningsaanvrager zijn aanvraagdossier zou moeten herwerken kan niet aanzien worden als een uitzonderlijke reden die - met de woorden van art. 14ter van de RvS-wet - een aantasting van het legalisteitsbeginsel rechtvaardigt. 

De verwerende partij mag na de hierna uit te spreken nietigverklaring niet blijven stilzitten. Herneemt zij - zoals gelet op de thans voorliggende gegevens in de rede ligt - de procedure vanaf het punt waarop de in het middel vastgestelde onwettigheid zich heeft voorgedaan, namelijk vanaf de definitieve vaststelling van het RUP wat de deelruimte centrum betreft, dan zal zij niet opnieuw de opname van het perceel van de verzoekende partij uit het RUP mogen uitsluiten om de reden dat geen overeenkomst is gelsoten tussen de verwerende partij en de verzoekende partij.

In het bestreden "besluit" onthoudt de toezichthoudende overheid zich ervan om, in het raam van het facultatief, algemeen administratief toezicht op te treden. Zoals de RvS al eerder heeft geoordeeld, is de onthouding om gebruik te maken van de facultatieve bevoegdheid tot uitoefening van het algemeen administratief toezicht geen voor vernietiging vatbare handeling in de zin van art. 14, § 1, van de RvS-wet. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de gemeente, in afwachting van de beslissing van de gouverneur, het RUP nog niet ter goedkeuring aan de deputatie heeft overgemaakt.

In de concrete omstandigheden past het om in de zaak sub I de kosten van het beroep, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten behoeve van de verzoekende partij, ten laste van de gemeente te leggen en om in de zaak sub II de kosten van het beroep tot nietigverklaring, inbegrepen een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten behoeve van de verzoekende partij, ten laste van de gemeente en de provincie te leggen. Terecht vraagt de eerste verwerende partij in de zaak sub I om de verzoekende partij tot een rechtsplegingvergoeding van 700 euro lastens haar te veroordelen. De eerste verwerende partij in de zaak sub I dient ten aanzien van de verzoekende partij immers als de in het gelijk gestelde partij te worden beschouwd.

 

Tekst arrest

-