Print

Raad van State - Arrest 235.613 van 12 augustus 2016 - Beroepscommissie Tuchtzaken

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
235.613
Indiener
-
Samenvatting

Verzoeker heeft het verweer dat hij voor de raad van maatschappelijk welzijn als tuchtoverheid heeft gevoerd, voor de beroepscommissie wezenlijk en doorgaans zelfs woordelijk herhaald, zonder in te gaan op de uitvoerige motivering van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn ter weerlegging van dat verweer. In die omstandigheden kan de beroepscommissie niet ten kwade worden geduid dat zij, na de beroepsargumenten van verzoeker te hebben onderzocht, de overwegingen van het tuchtbesluit onderschrijft. Daaruit kan geenszins worden afgeleid dat de beroepscommissie geen zorgvuldig onderzoek zou hebben gevoerd of dat haar beslissing niet afdoende formeel zou zijn gemotiveerd of niet zou zou steunen op deugdelijke materiële motieven.

Het vermoeden van onschuld staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid bij de beoodeling van feiten, uit bepaalde gekende gegevens gevolgen trekt inzake het bewezen zijn van die feiten en op grond daarvan besluit tot het bestaan van een voor haar onbekend feit. Dat de tuchtoverheid aldus gebruik maakt van feitelijke vermoedens, betekent niet dat zij het vermoeden van onschuld zou miskennen. Verzoeker voert niet aan dat de feitelijke elementen van het tuchtdossier op een onrechtmatige wijze werden verkregen. De vaststelling van het hem ten laste gelegde tuchtfeit steunt niet enkel op verklaringen van S. T., ten aanzien waarvan verzoeker twijfels uit over haar betrouwbaarheid. Ze vindt ook steun in tijdsregistratiegegevens en verscheidene verklaringen van andere medewerkers. Op grond daarvan vermocht het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, daarin bijgevallen door de beroepscommissie, te oordelen dat verzoeker verantwoordelijk is voor het tweede hem ten laste gelegde tuchtfeit.   

Tekst arrest

-