Print

Raad van State – Arresten nrs. 242.087 & 242.088 van 10 juli 2018 - Benoeming burgemeester

Rechtbank/Hof
Raad van State
Arrestnummer
242.087
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
dinsdag 10 juli 2018
Samenvatting

De Raad van State verwerpt de beroepen tot nietigverklaring van het besluit van de minister van Binnenlands Bestuur dd. 16 november 2015 houdende het ontslag van de heer Jan De Dier als burgemeester van de gemeente Denderleeuw en dd.18 april 2016 houdende de benoeming van de heer Jo Fonck tot burgemeester van die gemeente.

Verzoeker haalt in beide gedingen dezelfde middelen aan:

  1. “Schending van artikel 47bis van het Gemeentedecreet en het verbod op machtsafwending”. Het bestreden besluit steunt op en is een uitvloeisel van de beslissing van de gemeenteraad van Denderleeuw van 25 juni 2015 tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid. Die beslissing is evenwel aangetast door “een min of meer verborgen gebrek” dat verband houdt met de nagestreefde bedoeling, en dat namelijk uit het geheel van het dossier blijkt dat op 25 juni 2015 niet de beweerde structurele onbestuurbaarheid de gemeenteraad tot het nemen van de beslissing heeft aangezet, maar de enkele wil om een coalitiewissel door te voeren op grond van de bewering dat de coalitiepartners in het college van burgemeester en schepenen mekaar niet meer vertrouwen.

  2. “Schending van artikel 47bis van het Gemeentedecreet, artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. In het verzoekschrift wordt in de eerste plaats uiteengezet dat de bestreden beslissing steunt op en een uitvloeisel is van de beslissing van de gemeenteraad van de gemeente Denderleeuw van 25 juni 2015 tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid, maar dat die beslissing onwettig is en niet steunt op draagkrachtige motieven.
Volgens verzoeker moet het begrip “structurele onbestuurbaarheid” in artikel 47bis van het gemeentedecreet strikt worden geïnterpreteerd, waaruit volgt “dat onbestuurbaarheid enkel kan blijken in geval van langdurige ten gronde gaande inhoudelijke meningsverschillen tussen partijen”. Tevens betoogt hij dat met de structurele onbestuurbaarheid, de permanente en langdurige onbestuurbaarheid van het college van burgemeester en schepenen wordt bedoeld. Ten slotte benadrukt verzoeker in het verzoekschrift “dat doelbewuste destabilisatiemanoeuvres die ingegeven zijn om een coalitiewissel te kunnen doorvoeren omdat [men] liever met X bestuurt dan met Y, allerminst verenigbaar zijn met de restrictieve interpretatie die het begrip ‘structurele onbestuurbaarheid’ vereist”.
 

De Raad van State verwerpt de middelen als volgt:

  1. Er is sprake van machtsafwending wanneer een overheid de bevoegdheid die haar tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt voor het nastreven van een ander doel. Om tot een nietigverklaring te kunnen leiden, moet het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden handeling zijn. Ook de obstructie van het bestuur die gebeurlijk uitdrukkelijk beoogd is, kan in aanmerking komen om de structurele onbestuurbaarheid te verantwoorden, met dien verstande dat de feiten die ter bewijs ervan worden aangevoerd niet kennelijk mogen verschijnen als louter de manifestatie van de wil om een nieuw college van burgemeester en schepenen aangesteld te zien worden. Tijdens de parlementaire voorbereiding van het artikel 47bis van het gemeentedecreet is uitdrukkelijk overwogen dat de onbestuurbaarheidsprocedure “geen motie van wantrouwen zoals in Wallonië” behelst (verslag namens de commissie, Parl.St. Vl.Parl. 2011-2012, nr. 1467/14, 15). De vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid van de gemeente in een geval waarin ze er niet écht is, maakt niet op zichzelf machtsafwending uit.

  2. Verzoekers weerlegging van de motieven waarop de besluitvorming inzake de structurele onbestuurbaarheid is gestoeld mag dan wel uitgebreid zijn, net op de twee meest zwaarwegende punten die de gemeenteraad “inzonderheid” doet gelden (zie sub randnummer 6), is zijn tegenspraak onbestaande, minstens bijzonder schraal. De uiteenzetting van verzoeker in het besproken middel kan niet wegmaken of verhullen dat de bestuurlijke vertraging en het gepolemiseer binnen het gemeentebestuur – aan welk gepolemiseer verzoeker duchtig bijdraagt – sinds de eerste beslissing tot vaststelling van de structurele onbestuurbaarheid alleen maar zijn voortgezet en verdiept. Hierdoor blijken naar het oordeel van de Raad van State, anders dan op 3 november 2014, op 25 juni 2015 wel voldoende overtuigende gegevens voorhanden die een structurele onbestuurbaarheid aannemelijk maken. In de gegeven omstandigheden kan de Raad van State er niet toe komen om de motieven van de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 2015 kennelijk als een façade te beschouwen waarachter niets méér schuilgaat dan de wil om tot een nieuw college van burgemeester en schepenen te komen.
Tekst arrest

/