Grondwettelijk Hof - Arresten nrs. 129/2019 en 131/2019 van 10 oktober 2019 - Rolnrs. 6903 en 7038 - Beroepen tot vernietiging van 1° de artikelen 56, §3, 9°, 297, §1, en 577, 23° en 50°, van het Vlaamse decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en van 2° artikel 148 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2018 houdende wijziging van diverse bepalingen van het Provinciedecreet van 9 december 2005

Rechtbank/Hof
Grondwettelijk Hof
Arrestnummer
129/2019
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
donderdag 10 oktober 2019
Samenvatting
In beide gevallen heeft het Hof de vernietiging uitgesproken van de bestreden bepaling, waardoor de mogelijkheid voor de burger om in rechte op te treden, respectievelijk namens de gemeente en de provincie, herleeft.
 
Artikel 23, derde lid, 4° van de Grondwet, dat het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu bevat, staat centraal in de redenering van het Hof.
 
In het arrest nr. 129/2019, betreffende de zaak met rolnummer 6903, herinnert het Grondwettelijk Hof er allereerst aan dat artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting bevat die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermignsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang (B.7.11).
 
In de materies die tot de gemeentelijke bevoegdheden behoren, komt het volgens het Hof aan de gemeentelijke overheden toe om onwettige handelingen te doen ophouden of te voorkomen en om daartoe desnoods in rechte op te treden. Artikel 194 van het Gemeentedecreet beoogde de inwoners van een gemeente in de mogelijheid te stellen om namens de gemeente in rechte op te treden indien het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad dat ten onrechte nalaten. Hoewel de mogelijkheid om namens de gemeente in rechte op te treden aan bepaalde voorwaarden was onderworpen, was zij in vele gevallen de enige weg voor individuele burgers om het rechterlijk toezicht op onwettige handelingen te activeren. De opheffing van die mogelijkheid, door de bestreden bepaling, houdt een aanzienlijke vermindering in van het bestaande beschermingsniveau (B.7.2).
 
Het Grondwettelijk Hof onderzoekt vervolgens of er voor die aanzienlijke vermindering rederen van algemeen belang voorhanden zijn. Ook al is het Hof, in principe althans, van oordeel dat het, op het vlak van het milieubeleid, het oordeel van de decreetgever betreffende het algemeen belang dient te eerbiedigen, tenzij dat oordeel onredelijk is, heeft het alle argumenten die de vlaamse Regering had ontwikkeld, en die gesteund waren op de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, verworpen (B.8).
 
Ten eerste besluit het Hof dat de decreetgever zich het vorderingsrecht van inwoners namens de gemeente ook in de hedendaagse bestuurlijke context heeft toegeëigend door het uitdrukkelijk over te nemen in het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 (B.9.3). Daar komt volgens het Hof bij dat aan de werking van de plaatselijke democratie geen afbreuk wordt gedaan door het loutere feit dat een inwoner namens de gemeente de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing beoogt te onderwerpen. Die bestendigt, volgens het Hof, op die manier zijn participatie aan de democratische rechtsstaat. De eerbieding van de rechtsstaat is een essentiële voorwaarde voor de bescherming van alle grondrechten, waaronder het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu. Bovendien zal de rechter de vordering of het beroep ongegrond verklaren indien geen onwettigheid werd begaan (B.10.3).
 
Het Hof stelt nog vast dat een inwoner die doet blijken van een subjectief recht of een persoonlijk belang door de bestreden opheffingsbepaling in zijn optreden in rechte weliswaar niet gehinderd wordt, maar dat een inwoner die op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet in rechte optreedt, dat niet doet uit eigen naam, maar enkel uit naam en als vertegenwoordiger van de gemeente. De vordering dient te steunen op een recht van de gemeente en heeft tot doel een collectief belang te verdedigen (B.11.3). Het bestaan van een alternatieve mogelijkheid om de wettigheid van een betwiste handeling aan de rechterlijke toetsing te onderwerpen, biedt bovendien geen reden van algemeen belang die de aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau kan verantwoorden. Dat geldt des te meer wanneer die alternatieve toegang een hogere drempel opwerpt doordat zij de inwoners van de gemeeten ertoe noopt zich te verenigen (B.11.6).
 
Ten slotte, belsuit het Grondwettelijk Hof, komt het aan de recter toe om een eventueel misbruik begaan door de inwoners te bestraffen. Daartoe vereist artikel 194 van het Gemeentedecreet overigens dat de inwoner die namens de gemeente in rechte optreedt, een zekerheidstelling moet aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken (B.12). Nu het Hof geen redenen van algemeen belang ziet die de aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau verantwoorden, vernietigt het de bestreden bepaling (B.13). Gelt op het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, weigert het Hof ook om de vernietiging te beperken tot zaken die betrekking hebben op de bescherming van het leefmilieu (B.14).
 
In het arrest nr. 131/2019, betreffende de zaak met rolnummer 7038, bouwt het Grondwettelijk Hof een analoge redenering op met betrekking tot het optreden door een inwoner namens de provincie.
 

 

Tekst arrest

-