Print

Grondwettelijk Hof - Arrest nr. 109/2017 van 5 oktober 2017 - Beroep tot vernietiging - Wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken

Rechtbank/Hof
Grondwettelijk Hof
Arrestnummer
109/2017
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
donderdag 5 oktober 2017
Samenvatting
 

Artikel 2 van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, creërt een verschil in behandeling onder kanidaten en personeelsleden naargelang de betrekking of het ambt in kwestie ressorteert onder de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied of onder de plaatselijke diensten in het tweetalige gebried Brussel-Hoofdstad.

Bijgevolg vernietigt het Grondwettelijk Hof artikel 2 van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, in zoverre het niet van toepassing is op de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Tekst arrest
 
In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, ingesteld door de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe en anderen.
 
Het Grondwettelijk Hof,
 
samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,
 
wijst na beraad het volgende arrest :
 
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
 
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 november 2016, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2016) door de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe, de vzw « Association de Promotion des Droits Humains et des Minorités » en Sabine Hanot, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel.
 
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. M. Belmessieri, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
 
Bij beschikking van 17 mei 2017 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 juni 2017 en de zaak in beraad zal worden genomen.
 
Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 7 juni 2017 de dag van de terechtzitting bepaald op 21 juni 2017.
 
Op de openbare terechtzitting van 21 juni 2017 :
 
- zijn verschenen :
 
. Mr. J. Sohier, voor de verzoekende partijen;
 
. Mr. M. Belmessieri, tevens loco Mr. A. Wirtgen, voor de Ministerraad;
 
- hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. Derycke verslag uitgebracht;
 
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
 
- is de zaak in beraad genomen.
 
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
 
II. In rechte
 
Ten aanzien van het belang
 
A.1.1. De gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe doet gelden dat de bestreden wet de bevoegde overheden de mogelijkheid biedt te aanvaarden dat een personeelslid zijn taalkennis aantoont met andere documenten dan het certificaat van Selor. Die wetswijziging is evenwel uitsluitend voorbehouden voor de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied. De gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe, alsook de andere gemeenten die gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, en hun personeelsleden kunnen die mogelijkheid niet genieten, wat leidt tot een verlies aan gekwalificeerde personeelsleden die hun ambt kunnen uitoefenen in een plaatselijke dienst van een tweetalig gebied.
 
A.1.2. De vzw « Association de Promotion des Droits humains et des Minorités » (APDHM) heeft als maatschappelijk doel de mensenrechten, zoals verankerd in de Grondwet en in diverse internationaalrechtelijke instrumenten inzake burgerrechten en politieke rechten, te bevorderen.
 
De vzw meent belang erbij te hebben om in rechte op te treden tegen de bestreden wet, die discrimineert op grond van de taal aangezien zij enkel ten goede komt aan de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied. Die wet creëert aldus een verschil in behandeling tussen gemeentelijke personeelsleden op basis van een uitsluitend territoriaal criterium. Op grond van artikel 3, b) en d), van haar statuten, voert de verzoekende vzw haar collectief belang aan om tegen een dergelijke discriminerende behandeling in rechte te treden.
 
A.1.3. Als gemeentelijk personeelslid van de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe, behorende tot de Franse taalrol, doet de derde verzoekende partij gelden dat zij persoonlijk wordt benadeeld door de discriminatie die door de bestreden wet wordt gecreëerd tussen de personeelsleden van de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, enerzijds, en die van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, anderzijds. Zij is immers van plan een opleiding Nederlands te volgen bij de CCLM (Cours communaux de langues modernes) om een getuigschrift van kennis van het Nederlands te behalen dat haar toelaat het statuut van tweetalig personeelslid te verkrijgen. In de huidige stand van zaken kan echter alleen Selor dergelijke getuigschriften uitreiken.
 
A.2.1. Volgens de Ministerraad toont de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe haar belang bij het beroep niet aan omdat de bestreden wet enkel van toepassing is op de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied en geen invloed heeft op haar situatie, die identiek blijft.
De eerste verzoekende partij toont overigens niet aan in welk opzicht de bestreden wet zou leiden tot een verlies aan gekwalificeerde personeelsleden die hun ambt in het Frans en in het Nederlands kunnen uitoefenen.
 
A.2.2. De Ministerraad is van oordeel dat het door de APDHM ingediende verzoekschrift evenmin ontvankelijk is, aangezien het maatschappelijk doel van de vzw dermate ruim is dat het samenvalt met het algemeen belang.
Bovendien geeft het verzoekschrift niet aan welk concreet mensenrecht door de bestreden wet zou worden aangetast. Het vermeldt niet de internrechtelijke noch de internationaalrechtelijke norm die in concreto zou zijn geschonden.
De Ministerraad wijst nog erop dat de bestreden wet geen enkel onderscheid maakt tussen de verschillende landstalen.
 
A.2.3. De Ministerraad betwist ten slotte het belang van de derde verzoekende partij. De bestreden wet verhindert haar niet een personeelslid van de tweetalige taalrol te worden. Zij hoeft enkel het door Selor georganiseerde examen af te leggen.
 
Vervolgens toont de verzoekende partij niet aan welk voordeel zij zou hebben kunnen halen uit de bestreden wet, indien die wet zou zijn uitgebreid tot de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Het door de CCLM uitgereikte getuigschrift is geen certificaat in de zin van de bestreden wet, te weten een certificaat uitgereikt in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Bondsstaat.
 
A.3.1. De eerste verzoekende partij antwoordt dat, ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015 (C-131/01), de Belgische wetgever verplicht is om een einde te maken aan een situatie die een belemmering vormt voor het vrije verkeer van werknemers op het gebied van taalexamens, en dat zowel in het Duitse taalgebied als op het gehele grondgebied, teneinde geen nieuwe discriminaties te doen ontstaan binnen de Staat. De bestreden wet heeft echter alleen de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied beoogd. Voordien waren alle plaatselijke diensten aan dezelfde regeling onderworpen. Voortaan genieten alleen de gemeenten van het Duitse taalgebied een grotere vrijheid van handelen bij het in dienst nemen van hun personeelsleden.
 
De eerste verzoekende partij is aldus van mening dat zij wordt gediscrimineerd.
 
A.3.2. De tweede verzoekende partij antwoordt dat het Hof het belang om in rechte te treden aanvaardt van een vzw waarvan het maatschappelijk doel ruim is omschreven. Bovendien valt haar maatschappelijk doel niet samen met het algemeen belang en de eenvoudige inachtneming van de wettigheid.
 
Zij antwoordt eveneens dat zij in haar verzoekschrift uitdrukkelijk de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoert en de discriminerende behandeling aanklaagt van de personeelsleden van de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
 
A.3.3. De derde verzoekende partij antwoordt dat de bestreden wet haar niet toelaat de erkenning te verkrijgen, niet alleen van het getuigschrift van de CCLM, maar ook van om het even welk getuigschrift uitgereikt in een andere lidstaat dat zij zou kunnen behalen na de bij de CCLM gevolgde cursus en een ervaring in het buitenland. De wetgever beperkt haar mogelijkheden door haar te verplichten bij Selor een examen af te leggen om toe te treden tot de tweetalige rol.
 
A.4.1. De Ministerraad blijft erbij dat de bestreden wet de situatie van de eerste verzoekende partij niet heeft gewijzigd en dat niets erop wijst dat zij daadwerkelijk het risico zou lopen dat haar personeelsleden wordt ontzegd van wie de taalkennis door een certificaat is gewaarborgd. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015 heeft overigens niet specifiek betrekking op het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
 
A.4.2. De Ministerraad repliceert dat de tweede verzoekende partij geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat het maatschappelijk doel dat zij nastreeft niet zou samenvallen met het algemeen belang. Dat doel is uiterst ruim en zou haar in staat stellen om een beroep in te stellen tegen gelijk welke wetskrachtige norm, op welk gebied ook, die volgens haar één van de vele mensenrechten schendt.
 
A.4.3. De Ministerraad repliceert ten slotte dat de derde verzoekende partij, die over geen enkel getuigschrift van taalkennis beschikt en louter de mogelijkheid doet gelden om zulk een getuigschrift te behalen, slechts een hypothetisch belang heeft bij de vernietiging van de bestreden wet.
 
Ten aanzien van het enige middel
 
A.5. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met de verordening nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
 
Wat het eerste onderdeel van het middel betreft
 
A.6.1. In het eerste onderdeel van het middel betwisten de verzoekende partijen de bestreden wet in zoverre zij uitsluitend de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied toestaat om van hun personeelsleden, als bewijs van hun taalkennis, andere certificaten dan die welke door Selor worden uitgereikt, die door de Koning als gelijkwaardig worden beschouwd, te aanvaarden, om zich te conformeren aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de wetgever aldus een verschil in behandeling heeft ingevoerd dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
De plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad hebben een behoefte aan tweetalige personeelsleden die vergelijkbaar is met die van de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied omdat zij optreden op een tweetalig grondgebied, in tegenstelling tot de gemeentelijke diensten die werkzaam zijn in de andere eentalige gebieden.
 
De eerste verzoekende partij bevindt zich dus in een situatie die vergelijkbaar is met de door de bestreden wet beoogde situatie omdat zij ook wordt geconfronteerd met aanvragen van haar personeelsleden tot erkenning van taalkennis.
 
Er wordt geen enkel doel aangevoerd om dat verschil in behandeling te verantwoorden. Het enige doel dat in de parlementaire voorbereiding wordt vermeld, is dat de wet in overeenstemming moet worden gebracht met het Europese recht ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015. Ook al werd dat arrest gewezen naar aanleiding van een beroep van een personeelslid van het Duitse taalgebied, toch geldt de lering ervan op algemene wijze en veroordeelt zij aldus het exclusieve monopolie dat op dat gebied aan Selor is voorbehouden.
 
Niet alleen maakt de bestreden wet geen einde aan de inbreuk die volgens het Europese recht op het gehele grondgebied is vastgesteld, maar bovendien voert zij een discriminatie in tussen plaatselijke diensten.
 
A.6.2. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied zich, uit het oogpunt van de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, in een andere situatie bevinden dan de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Hun situaties zijn niet vergelijkbaar, wat kan rechtvaardigen dat verschillende wetgevingen, aangepast aan hun specifieke taalkundige situatie, op hen kunnen worden toegepast.
 
Het Duitse taalgebied is immers een eentalig gebied, terwijl het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een tweetalig gebied is. Met toepassing van artikel 15, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, kan een kandidaat voor een betrekking bij een plaatselijke dienst in een eentalig gebied slechts tot een toelatings- of bevorderingsexamen worden toegelaten indien hij onderwijs in de taal van het gebied heeft genoten. Bij ontstentenis daarvan moet hij zijn taalkennis bewijzen door een examen. Er bestaat geen enkele overeenstemmende bepaling voor de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Rekening houdend met dat verschil kan het worden verantwoord dat het getuigschrift van kennis van de tweede taal van een personeelslid van een plaatselijke dienst in het tweetalige gebied uitsluitend aan Selor wordt toevertrouwd.
 
In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het aangeklaagde verschil in behandeling verantwoord is.
 
Met de bestreden wet heeft de wetgever zich snel willen conformeren aan het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015, om zware financiële sancties te vermijden. Dat arrest heeft geoordeeld, enkel wat de diensten in het Franse of het Duitse taalgebied betreft, dat de voorwaarde inzake het slagen voor een proef die door slechts één Belgische instelling wordt georganiseerd, op onevenredige wijze afbreuk doet aan het vrije verkeer van werknemers. Dat doel is legitiem.
De Ministerraad is van mening dat de bestreden wet pertinent is in het licht van zulk een doel, en evenredig. De federale wetgever heeft zich strikt geconformeerd aan het arrest van het Hof van Justitie en men kan hem niet verwijten het toepassingsgebied van de wet niet te hebben uitgebreid tot de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Het Hof van Justitie heeft immers niet geoordeeld dat op onevenredige wijze afbreuk is gedaan aan het vrije verkeer van werknemers wat de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft.
 
Bovendien heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, in haar advies over het voorontwerp van wet, geen ongrondwettigheid vastgesteld.
 
Ten slotte brengt de bestreden wet een billijk evenwicht tot stand tussen de in het geding zijnde belangen en doet zij geen afbreuk aan de belangen van de verzoekende partijen daar zij ten aanzien van hen geen enkel gevolg heeft.
 
A.6.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het criterium van vergelijkbaarheid niet al te strikt moet worden beoordeeld, aangezien enkel een voldoende mate van overeenkomst vereist is. De in het geding zijnde categorieën moeten niet identiek zijn. Te dezen maakt het eentalige of tweetalige karakter van het gebied de plaatselijke diensten van de gebieden niet onvergelijkbaar wanneer het erom gaat te beoordelen of de kennis van een taal enkel kan worden bewezen met een getuigschrift van Selor. Het Duitse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad hebben met elkaar gemeen dat zij behoefte hebben aan tweetalige personeelsleden voor hun plaatselijke diensten en dat zij worden geconfronteerd met aanvragen tot erkenning van taalkennis vanwege personeelsleden die tot een tweetalig statuut wensen toe te treden.
 
A.6.4. De verzoekende partijen antwoorden ook dat het Hof van Justitie het monopolie van Selor op algemene wijze heeft veroordeeld. Het veroordeelt overigens op onveranderlijke wijze de monopolies die aan de instellingen van een lidstaat worden toegekend om het bewijs van taalkennis te leveren.
 
Zij antwoorden ten slotte dat, ook al heeft de bestreden wet hun situatie niet gewijzigd, zij toch een discriminerende situatie creëert door de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te verhinderen om buitenlandse diploma’s te erkennen.
 
De Ministerraad herhaalt dat het reeds vermelde arrest van het Hof van Justitie geen nalatigheid vanwege de Belgische wetgever heeft vastgesteld in zoverre hij de situatie van de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad niet heeft gereglementeerd. Het Hof kent de structuur van de Belgische Staat en vermeldt in punt 3 van zijn arrest dat er vier taalgebieden zijn. De Europese Commissie moet weldra bevestigen dat de vervolging tegen België is stopgezet.
Wat het tweede onderdeel van het middel betreft
 
A.7.1. In het tweede onderdeel van het middel betwisten de verzoekende partijen de bestreden wet in zoverre zij uitsluitend de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied toestaat om van hun personeelsleden, als bewijs van hun taalkennis, andere certificaten dan die welke door Selor worden uitgereikt, die door de Koning als gelijkwaardig worden beschouwd, te aanvaarden, om zich te conformeren aan het arrest dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op 5 februari 2015 heeft gewezen.
 
Zij verwijzen naar artikel 45 van het VWEU en naar artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de voormelde verordening nr. 492/2011, en herinneren aan het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015 waarbij de Belgische Staat werd veroordeeld. Krachtens artikel 260, lid 1, van het VWEU, is de Belgische Staat gehouden alle maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest. Hij conformeert zich echter slechts zeer gedeeltelijk aan dat arrest.
 
In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie :
 
« Schendt de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, in zoverre zij, inzake erkenning van de taalkennis van personeelsleden van de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, naast de certificaten van Selor, een mechanisme invoert van erkenning van de gelijkwaardigheid van de taalcertificaten die worden uitgereikt in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de Zwitserse Bondsstaat, artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, in zoverre zij dat prerogatief beperkt tot de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, met uitsluiting van de andere plaatselijke diensten van het land, in het bijzonder die van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ? ».
 
A.7.2. De Ministerraad preciseert dat het Hof van Justitie niet bevoegd is om een wet rechtstreeks te toetsen aan internationale bepalingen. Het staat aan de verzoekende partijen aan te geven in welk opzicht de schending, door de bestreden wet, van de aangevoerde bepalingen ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, hetgeen zij niet aantonen.
 
De Ministerraad brengt vervolgens in herinnering dat het arrest van het Hof van Justitie enkel de plaatselijke diensten in het Franse en het Duitse taalgebied beoogt. Betreffende het verzoek om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen, wijst de Ministerraad erop dat het Hof van Justitie niet bevoegd is om de overeenstemming van een nationale wet met het Europese recht te controleren, gelet op artikel 267 van het VWEU. Het Grondwettelijk Hof vermag dus niet in te gaan op dat verzoek.
 
In ondergeschikte orde vestigt de Ministerraad vervolgens de aandacht van het Hof op het feit dat een vernietiging van de bestreden wet tot gevolg zou hebben dat de Belgische Staat in dezelfde situatie terechtkomt als die welke heeft geleid tot de veroordeling van de Belgische Staat wegens schending van het Europese recht, met een risico van zware financiële sancties wegens niet-naleving van het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015.
 
In nog meer ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat een eventuele discriminatie haar oorsprong vindt in een extrinsieke lacune. Rekening houdend met de reeds onderstreepte verschillen tussen de twee betrokken taalgebieden, kan de regeling waarin de bestreden wet voorziet voor het Duitse taalgebied niet worden uitgebreid tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Het Hof kan zich niet in de plaats stellen van de wetgever die als enige bevoegd is om een einde te maken aan de discriminatie, overeenkomstig artikel 30 van de Grondwet. In zoverre zij betrekking heeft op de taalvereisten, past de bestreden wet in het kader van dat artikel, dat ook een wettigheidsbeginsel bevat. Het Hof vermag dus niet een eventuele vaststelling van ongrondwettigheid uit te drukken in voldoende precieze en volledige bewoordingen die de manier aangeven waarop de lacune moet worden weggewerkt, op het gevaar af op te treden in een aangelegenheid die de Grondwet aan de wetgever voorbehoudt.
 
A.7.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het middel wel degelijk is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 45 van het VWEU en met de verordening nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. De schending van artikel 45 van het VWEU impliceert het bestaan van een discriminerende situatie in het nadeel van de verzoekende partijen.
 
Wat betreft het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, antwoorden de verzoekende partijen dat het Hof van Justitie moet worden verzocht te preciseren of de interpretatie die het geeft aan artikel 45 van het VWEU en aan de verordening nr. 492/2011 van 5 april 2011 van dien aard is dat de toekenning van een monopolie aan de examens van Selor voor de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad al dan niet wordt verboden, terwijl precies een nieuw systeem moest worden ingevoerd ingevolge het reeds uitgesproken arrest tegen de Belgische Staat, wat de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied betreft.
 
Wat de gevolgen van de vernietiging betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat de wetgever, in geval van een vernietiging, een nieuwe norm zal moeten aannemen, waarbij hij zich deze keer conformeert aan zowel het arrest van het Hof van Justitie als aan het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof, dat wil zeggen door ervoor te zorgen dat het ongerechtvaardigde monopolie dat aan Selor is toegekend, wordt opgeheven en dat wordt bepaald dat de nadere regels voor de erkenning van de gelijkwaardigheid tussen de certificaten voor alle plaatselijke diensten gelden.
 
Wat de lacune in de wetgeving betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat het wel degelijk de bestreden wet is die ten grondslag ligt aan de aangeklaagde discriminatie, die vóór die wet niet bestond. Het gaat dus niet om een extrinsieke lacune. Het Hof heeft als opdracht alle discriminerende situaties teniet te doen, en het heeft reeds wetten vernietigd wegens de onvolledigheid ervan.
 
In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen aan het Hof, bij ontstentenis van een vernietiging, vast te stellen dat er een discriminatie bestaat die voortkomt uit een extrinsieke lacune, wegens de verschillende behandeling die door de bestreden wet wordt voorbehouden aan de plaatselijke diensten van een taalgebied, wat de mogelijkheid betreft om andere certificaten inzake taalkennis dan alleen het certificaat van Selor te erkennen.
 
A.7.4. De Ministerraad repliceert dat het Hof niet bevoegd is om een wet rechtstreeks te toetsen aan een internationaalrechtelijke bepaling, en verwijst voor het overige naar zijn argumentatie betreffende het eerste onderdeel van het enige middel.
 
Wat het verzoek betreft om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, repliceert de Ministerraad dat de door de verzoekende partijen voorgestelde prejudiciële vraag niet overeenkomt met de intentie die die partijen in hun memorie van antwoord hebben geformuleerd.
 
Met betrekking tot de gevolgen van een vernietiging, repliceert de Ministerraad dat de verzoekende partijen geen rekening houden met de termijn die nodig is om een nieuwe wet aan te nemen.
 
Wat de lacune in de wetgeving betreft, repliceert de Ministerraad dat het niet juist is ervan uit te gaan dat de omissie van de federale wetgever om een vergelijkbare wetgeving aan te nemen, uit de wet zelf zou voortvloeien. Voor het aannemen van een dergelijke wetgeving dienen nieuwe opportuniteitskeuzen te worden gemaakt in een gevoelige materie. De lacune kan overigens niet door het Grondwettelijk Hof worden weggewerkt omdat de bestreden wet betrekking heeft op de taalvereisten en past in het kader van artikel 30 van de Grondwet, dat die aangelegenheid aan de wetgever voorbehoudt. Bijgevolg is enkel een vaststelling van ongrondwettigheid wegens het ontbreken van een norm in de juridische ordening mogelijk, en kan het Hof niet zelf die lacune in de wetgeving wegwerken.
 
- B -
 
Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context
B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 2 van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, dat artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 (hierna : de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken), met een vijfde lid aanvult.
Thans bepaalt artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken :
« De Vaste Wervingssecretaris alleen is bevoegd om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken.
 
Binnen een termijn van twee jaar, te rekenen van 1 september 1963 af, bepaalt de Koning de voorwaarden waaronder die bewijzen, in plaats van de bij de wet bepaalde examens, mogen gevergd worden voor de werving van de ambtenaren die een bijzondere taalkennis moeten bezitten.
 
Bovenbedoelde termijn wordt verlengd tot vijf jaar wanneer het gaat om het begeven, bij wijze van bevordering, van betrekkingen waarvoor een bijzondere taalkennis vereist is.
 
Met betrekking tot de gemeenten echter blijft voor het personeel, van de rang van onderbureauchef en daarmede gelijkgestelde rangen af, dat op 1 juli 1963 in dienst was, de huidige regeling gelden die op het stuk van taalexamens is bepaald voor de bevorderingen. In de examencommissies die deze examens organiseren treedt een vertegenwoordiger van de Vaste Wervingssecretaris als voorzitter op, met medebeslissende stem.
 
Voor de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de erkenning van de gelijkwaardigheid tussen de door Selor uitgereikte certificaten en deze uitgereikt in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de Zwitserse Bondsstaat ».

B.1.2. Artikel 15, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt :

« In de plaatselijke diensten, die in het Nederlandse, het Franse of het Duitse taalgebied gevestigd zijn, kan niemand tot een ambt of betrekking benoemd of bevorderd worden, indien hij de taal van het gebied niet kent.
De toelatings- en bevorderingsexamens geschieden in dezelfde taal.
De kandidaat wordt enkel tot het examen toegelaten voor zover uit de vereiste diploma's of studiegetuigschriften blijkt dat hij zijn onderwijs in meergenoemde taal heeft genoten. Bij ontstentenis van een dergelijk diploma of getuigschrift moet de taalkennis vooraf door een examen bewezen worden.
Indien het ambt of de betrekking begeven wordt zonder toelatingsexamen dient de vereiste taalkennis vastgesteld aan de hand van de daartoe in lid 3 voorgeschreven bewijzen ».
B.2. Krachtens het nieuwe vijfde lid van artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, ingevoegd bij artikel 2 van de bestreden wet, kan, voor de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, het bewijs van kennis van de taal van het gebied worden geleverd zowel met een door Selor uitgereikt certificaat als met certificaten uitgereikt in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de Zwitserse Bondsstaat.
 
B.3. Met de bestreden wet heeft de federale wetgever zijn wetgeving in overeenstemming willen brengen met het arrest van 5 februari 2015 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, (Commissie t. België, C-317/14).
 
In de memorie van toelichting wordt aangegeven :
« De regering is van mening dat de maatregelen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015 zo spoedig mogelijk genomen moeten worden door, wat de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied betreft, artikel 53 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken te wijzigen zodat Selor niet langer het monopolie heeft wat de examens voor taalkennis betreft. En hiermee zware financiële sancties te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1653/001, p. 5).

Voor de bevoegde Kamercommissie heeft de minister gepreciseerd dat :

« [het ontwerp] tot doel heeft om voor de lokale diensten in het Duitse taalgebied een mechanisme in te voeren waardoor taalcertificaten, die uitgereikt zijn in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de Zwitserse Bondsstaat, in aanmerking kunnen worden genomen » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1653/002, p. 3).
 
« De minister benadrukt dat, gelet op het dictum van het arrest, het voorliggende wetsontwerp enkel betrekking heeft op de lokale diensten van het Duitse taalgebied.
 
Wat de kwaliteitsvereisten betreft, wijst de minister erop dat het artikel bepaalt dat een koninklijk besluit, vastgelegd na overleg in de Ministerraad, zal worden uitgevaardigd, dat de nadere regels zal vastleggen in verband met de erkenning van de gelijkwaardigheid aan de door Selor uitgereikte certificaten. Daartoe zal een commissie van taaldeskundigen een eensluidend advies moeten afleveren. Dat in die commissie ook een vertegenwoordiger van de Duitse Gemeenschap zal zetelen voor wat het Duits aangaat, werd bij de bespreking van het wetsontwerp in het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap als positief ervaren » (ibid., p. 5).
 
B.4. Bij zijn arrest van 5 februari 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld :
 
« 22. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beogen de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van personen in hun geheel het de onderdanen van de lidstaten gemakkelijker te maken, op het grondgebied van de Unie een beroep uit te oefenen, en staan zij in de weg aan maatregelen die deze onderdanen zouden kunnen benadelen wanneer zij op het grondgebied van een andere lidstaat een economische activiteit willen verrichten (zie met name arrest Las, C-202/11, EU:C:2013:239, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 
23. Die bepalingen en in het bijzonder artikel 45 VWEU staan bijgevolg in de weg aan elke maatregel die, zelfs wanneer hij zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing is, het gebruik van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door burgers van de Unie kan belemmeren of minder aantrekkelijk kan maken (arrest Las, EU:C:2013:239, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 
24. Ingevolge artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 492/2011 hebben de lidstaten weliswaar het recht om de voorwaarden betreffende de wegens de aard van de te verrichten arbeid vereiste taalkennis vast te stellen.
 
25. Toch mag het recht om een bepaalde taalkennis te eisen naargelang van de aard van de arbeid, geen afbreuk doen aan het vrije verkeer van werknemers. De eisen die bij de uitvoeringsmaatregelen van dat recht worden gesteld, mogen in geen geval onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, en de wijze waarop zij worden toegepast, mag niet leiden tot discriminatie van de onderdanen van andere lidstaten (zie in die zin arrest Groener, C-379/87, EU:C:1989:599, punt 19).
 
26. In casu moet worden erkend dat het gerechtvaardigd kan zijn om van een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek dat wordt georganiseerd om te voorzien in een betrekking bij een plaatselijke dienst, te weten bij een entiteit die concessiehouder is van een openbare dienst of die belast is met een taak van algemeen belang op het grondgebied van een gemeente, te eisen dat hij beschikt over een op de aard van de te verrichten arbeid afgestemde kennis van de taal van het gebied waarin de betrokken gemeente is gelegen. Een betrekking bij een dergelijke dienst kan immers worden geacht de vaardigheid te vereisen om met de plaatselijke administratieve autoriteiten en, in voorkomend geval, met het publiek te communiceren.
 
27. In een dergelijk geval kan het bezit van een diploma ten bewijze dat men geslaagd is voor een taalexamen, een criterium zijn om de vereiste taalkennis te beoordelen (zie in die zin arrest Angonese, EU:C:2000:296, punt 44).
 
28. Van een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van personeel overeenkomstig de gecoördineerde wetten eisen dat hij zijn taalkennis bewijst door middel van één enkel soort certificaat dat door slechts één enkele Belgische instantie wordt afgegeven die daartoe belast is met de organisatie van taalexamens op het Belgische grondgebied, is gelet op de eisen van het vrije verkeer van werknemers echter onevenredig aan de nagestreefde doelstelling.
 
29. Dat vereiste sluit immers uit dat rekening wordt gehouden met het kennisniveau waarover iemand op basis van een in een andere lidstaat behaald diploma kan worden verondersteld te beschikken gelet op de aard en de duur van de opleiding waarvan de voltooiing uit dat diploma blijkt (zie in die zin arrest Angonese, EU:C:2000:296, punt 44).
 
30. Voorts benadeelt dat vereiste, ook al geldt het zonder onderscheid voor nationale onderdanen en onderdanen van de andere lidstaten, in werkelijkheid de onderdanen van de andere lidstaten die wensen te solliciteren naar een betrekking bij een plaatselijke dienst in België.
 
31. Dat vereiste verplicht de betrokkenen die in andere lidstaten wonen, dat wil zeggen voor het merendeel onderdanen van die staten, immers om zich naar het Belgische grondgebied te begeven enkel en alleen om hun kennis te laten beoordelen aan de hand van een examen dat noodzakelijk is om het voor de indiening van hun sollicitatie vereiste certificaat te verkrijgen. De extra lasten die deze verplichting met zich brengt, kunnen de toegang tot de betrokken betrekkingen bemoeilijken (zie in die zin arrest Angonese, EU:C:2000:296, punten 38 en 39).
 
32. Het Koninkrijk België heeft geen doelstelling aangevoerd waarvan de verwezenlijking die gevolgen kan rechtvaardigen.
 
33. Voor zover het Koninkrijk België aanvoert dat met wetgevingswerkzaamheden is begonnen om de litigieuze nationale regeling in overeenstemming te brengen met de eisen van het Unierecht maar dat wegens de structuur van dat land daartoe lange en ingewikkelde procedures moeten worden gevolgd, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een lidstaat zich niet op bepalingen van zijn interne rechtsorde, zelfs niet op grondwettelijke bepalingen, kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen (zie met name arrest Commissie/Hongarije, C-288/12, EU:C:2014:237, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 
34. Hieraan moet worden toegevoegd dat het bestaan van een niet-nakoming in ieder geval moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof met sindsdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, C-640/13, EU:C:2014:2457, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 
35. Bijgevolg is het Koninkrijk België, door van kandidaten voor betrekkingen bij de plaatselijke diensten in het Franse of het Duitse taalgebied uit wier vereiste diploma’s of certificaten niet blijkt dat zij hun onderwijs in de betrokken taal hebben genoten, te eisen dat zij hun taalkennis bewijzen door middel van één enkel soort certificaat dat uitsluitend door één enkele Belgische officiële instantie wordt afgegeven na een door die instantie op het Belgische grondgebied georganiseerd examen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 45 VWEU en verordening nr. 492/2011.
 
[…]
Het Hof (Zesde kamer) verklaart :
1) Door van kandidaten voor betrekkingen bij de plaatselijke diensten in het Franse of het Duitse taalgebied uit wier vereiste diploma’s of certificaten niet blijkt dat zij hun onderwijs in de betrokken taal hebben genoten, te eisen dat zij hun taalkennis bewijzen door middel van één enkel soort certificaat dat uitsluitend door één enkele Belgische officiële instantie wordt afgegeven na een door die instantie op het Belgische grondgebied georganiseerd examen, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 45 VWEU en verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie ».
B.5. De Franse en de Vlaamse Gemeenschap waren vooruitgelopen op het arrest van het Hof van Justitie en hadden gevolg gegeven aan de ingebrekestelling van de Commissie van de Europese Unie door, voor hun territoriale rechtsgebied, het voormelde artikel 53 te wijzigen.
 
Bij artikel 4 van het decreet van 18 november 2011 tot regeling van het bewijs van taalkennis, vereist door de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, heeft de Vlaamse Gemeenschap artikel 53 als volgt vervangen :
« Art. 53. De Vlaamse Regering bepaalt :
1° welke instanties bevoegd zijn om de bewijzen van taalkennis, vereist door deze gecoördineerde wetten, uit te reiken, en de voorwaarden waaraan die bewijzen moeten voldoen;

2° de voorwaarden voor de erkenning van bewijzen van taalkennis, uitgereikt door andere instanties.

 
Het niveau van de taalkennis dat moet worden bewezen, is afhankelijk van de aard van de uitgeoefende functie ».
 
Bij artikel 1 van het decreet van 7 november 2013 betreffende het bewijs van de taalkennis vereist door de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, heeft de Franse Gemeenschap artikel 53 als volgt vervangen :
 
« Art. 53. § 1. De getuigschriften die het bewijs leveren van het niveau van de taalkennis dat vereist wordt door deze wetten, worden uitgereikt door SELOR - Selectiebureau van de federale overheid.
 
Ter aanvulling van het eerste lid kan de Regering van de Franse Gemeenschap andere bevoegde instanties bepalen om getuigschriften uit te reiken die het bewijs leveren van het niveau van de taalkennis dat vereist wordt door deze wetten, alsook de voorwaarden waaraan de bewijzen van deze taalkennis moeten voldoen.
 
§ 2. De Regering van de Franse Gemeenschap bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor de erkenning van de getuigschriften van de taalkennis die uitgereikt worden door andere instanties, zoals bedoeld in § 1.
 
§ 3. De gelijkwaardigheid wordt verleend door de Regering van de Franse Gemeenschap op advies van een Deskundigencommissie.
 
De Regering bepaalt het statuut van deze Deskundigencommissie en de manier waarop haar leden aangewezen moeten worden. Haar werkingswijze wordt bepaald in het huishoudelijk reglement dat de Deskundigencommissie zal aannemen.
 
§ 4. Voor de toepassing van de vorige paragrafen is het niveau van de taalkennis afhankelijk van de aard van het uitgeoefende ambt ».
 
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
B.6. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen.
B.7.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.
 
B.7.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
 
B.8.1. De vzw « Association de Promotion des Droits humains et des Minorités » heeft als maatschappelijk doel de mensenrechten te bevorderen, zoals zij zijn verankerd in de Grondwet en in verschillende internationale verdragen.
 
Volgens artikel 3, b), van haar statuten heeft de vzw tot doel « elke willekeurige aantasting van de rechten en vrijheden die zijn verankerd in de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen aan te klagen en te bestrijden ». Artikel 3, d), van die statuten biedt haar de mogelijkheid om in rechte te treden in alle geschillen waartoe de toepassing van de internrechtelijke of internationaalrechtelijke normen inzake mensenrechten en minderheden aanleiding kan geven.
 
B.8.2. Dat maatschappelijk doel bestaat in het verdedigen van een collectief belang dat van bijzondere aard is en onderscheiden is van het algemeen belang. Overigens wordt niet betwist dat dit doel werkelijk wordt nagestreefd.
 
B.9. Krachtens artikel 2 van de bestreden wet kunnen kandidaten voor een ambt of betrekking in de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied en de personeelsleden van die diensten hun kennis van de taal van het gebied bewijzen zowel met een door Selor uitgereikt certificaat als met certificaten uitgereikt in de andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en de Zwitserse Bondsstaat. Het biedt die mogelijkheid niet aan de kandidaten voor een ambt of betrekking in de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, noch aan de personeelsleden van die diensten.

De bestreden bepaling creëert aldus een verschil in behandeling dat het maatschappelijk doel van de verzoekende partij en het collectief belang dat zij verdedigt, kan raken. Die partij doet bijgevolg blijken van het vereiste belang.

 
B.10. Aangezien de tweede verzoekende partij doet blijken van een belang bij het beroep, is het niet nodig te onderzoeken of de andere verzoekende partijen eveneens doen blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen.
 
Ten aanzien van het enige middel
 
B.11.1. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met de verordening nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.
 
B.11.2. De verzoekende partijen betwisten de bestreden wet in zoverre zij uitsluitend de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied toestaat om van de kandidaten en personeelsleden, als bewijs van hun taalkennis, andere certificaten dan die welke door Selor worden uitgereikt, die door de Koning als gelijkwaardig worden beschouwd, te aanvaarden, om zich te conformeren aan het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015.
 
In een eerste onderdeel zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de federale wetgever aldus een verschil in behandeling heeft ingevoerd dat strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
 
In een tweede onderdeel verwijzen zij naar artikel 45 van het VWEU en naar artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de voormelde verordening nr. 492/2011, en wijzen zij erop dat krachtens artikel 260, lid 1, van het VWEU, de Belgische Staat gehouden is alle maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015.
 
Beide onderdelen worden samen onderzocht.

B.12. Zoals vermeld in B.9, creëert artikel 2 van de bestreden wet een verschil in behandeling onder kandidaten en personeelsleden naargelang de betrekking of het ambt in kwestie ressorteert onder de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied of onder de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

 
B.13. Volgens de Ministerraad zijn de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied en die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad niet voldoende vergelijkbaar wegens hun wezenlijk verschillende taalregeling.
 
Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. Het Duitse taalgebied is een eentalig gebied, terwijl het gebied Brussel-Hoofdstad een tweetalig gebied is. Dat verschil laat echter niet toe te besluiten dat de plaatselijke diensten van die twee taalgebieden niet kunnen worden vergeleken in het licht van het monopolie dat aan Selor is toegekend bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, meer in het bijzonder wanneer het erom gaat de certificaten te bepalen waarmee taalkennis kan worden bewezen om een ambt of een betrekking bij die diensten te verkrijgen.
 
B.14.1. Uit de in B.3 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt dat, met de bestreden wet, de federale wetgever zich in overeenstemming wilde brengen met het arrest van 5 februari 2015 waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat België zijn verplichtingen niet is nagekomen op het gebied van het vrije verkeer van werknemers.
 
Uit dat in B.4 aangehaalde arrest blijkt dat het recht om een bepaalde taalkennis te eisen naar gelang van de aard van de arbeid, geen afbreuk mag doen aan het vrije verkeer van werknemers en niet mag leiden tot een discriminatie van onderdanen van andere lidstaten :
 
« Van een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van personeel overeenkomstig de gecoördineerde wetten eisen dat hij zijn taalkennis bewijst door middel van één enkel soort certificaat dat door slechts één enkele Belgische instantie wordt afgegeven die daartoe belast is met de organisatie van taalexamens op het Belgische grondgebied, is gelet op de eisen van het vrije verkeer van werknemers echter onevenredig aan de nagestreefde doelstelling » (punt 28).

B.14.2. Het voormelde arrest van het Hof van Justitie van 5 februari 2015 heeft betrekking op de plaatselijke diensten in het Franse of Duitse taalgebied, en niet op die in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

 
Niettemin, net zoals artikel 15 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken dat van toepassing is op de plaatselijke diensten in het Franse of Duitse taalgebied, voorziet artikel 21 van dezelfde wetten dat van toepassing is op de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in - weliswaar verschillende - vereisten inzake taalkennis om toegang te krijgen tot een betrekking of een ambt. De verschillen tussen de taalvereisten van die twee bepalingen maken evenwel niet het voorwerp uit van de grief die in het enige middel wordt opgeworpen. De kritiek van de verzoekende partijen heeft uitsluitend betrekking op de getuigschriften van die taalkennis en, meer bepaald, op het ontbreken van de mogelijkheid om af te wijken van het monopolie dat bij artikel 53, eerste lid, van diezelfde wetten aan Selor is toegekend « om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken » voor de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, terwijl zulk een mogelijkheid wel bestaat voor de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied.
 
Welnu, net zoals de kandidaten voor een betrekking en de personeelsleden van de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied, zijn de kandidaten voor een betrekking en de personeelsleden van de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad onderworpen aan de beginselen van het vrije verkeer van werknemers, in samenhang gelezen met de regels van gelijkheid en niet-discriminatie wat de uitreiking van de getuigschriften inzake taalkennis betreft.
 
B.14.3. De verzoekende partijen vragen het Hof aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de bestreden wet met de in het middel aangevoerde normen van het Europese Unierecht.
 
Wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).
Te dezen dient er niet te worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partijen om aan het Hof van Justitie hierover een vraag te stellen. De interpretatie van de bepalingen van het recht van de Unie, waar die partijen om vragen, is immers reeds gegeven door het Hof van Justitie in zijn arrest van 5 februari 2015.
 
B.14.4. In zoverre hij in artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken enkel voor de plaatselijke diensten in het Duitse taalgebied en niet voor de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad voorziet in een mogelijkheid tot afwijking op het gebied van de uitreiking van getuigschriften inzake taalkennis, terwijl hij bevoegd is om het gebruik van de talen te regelen in de plaatselijke diensten van die twee taalgebieden, heeft de federale wetgever een verschil in behandeling gecreëerd onder kandidaten voor een betrekking en onder personeelsleden dat niet in redelijkheid kan worden verantwoord ten aanzien van de beginselen van het vrije verkeer van werknemers, in samenhang gelezen met de regels van gelijkheid en niet-discriminatie.
 
B.15. Het middel, in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 45 van het VWEU en met de verordening nr. 492/2011 van 5 april 2011, is gegrond.
 
Artikel 2 van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet worden vernietigd in zoverre het niet van toepassing is op de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Om die redenen,

het Hof
vernietigt artikel 2 van de wet van 21 april 2016 houdende wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, in zoverre het niet van toepassing is op de plaatselijke diensten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 oktober 2017.
 
De griffier, 
F. Meersschaut
 
De voorzitter,
J. Spreutels