Print

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 171/2015 van 3 december 2015 – Rolnummer 6061 – Beroep tot vernietiging - Samenwerkingsakkoord gewestgrensoverschrijdende intercommunales

Rechtbank/Hof
Grondwettelijk Hof
Arrestnummer
171/2015
Indiener
-
Datum uitspraak arrest
donderdag 3 december 2015
Samenvatting
In het eerste middel, werd de schending van de bevoegdheidsverdelende regels aangevoerd.

Het Grondwettelijk Hof affirmeerde dat het samenwerkingsakkoord niet leidt tot een afstand van bevoegdheden. De relevante overwegingen van het arrest luiden als volgt:

“B.13.1. Uit de samenhang van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 met artikel 92bis, § 2, d), van dezelfde wet blijkt dat geen van de gewesten bevoegd is om zelf eenzijdig de aangelegenheid van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales en het bestuurlijk toezicht op die verenigingen te regelen. Die aangelegenheid moet verplicht worden geregeld door middel van een samenwerkingsakkoord tussen de gewesten. Bij ontstentenis van een dergelijk akkoord blijven die intercommunales, met toepassing van artikel 94, § 2, van dezelfde bijzondere wet, geregeld bij de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales.

B.13.2. De bestreden bepalingen maken het mogelijk de verplichting die is vervat in artikel 92bis, § 2, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ten uitvoer te leggen.

Die bepaling verplicht de gewesten ertoe om een samenwerkingsakkoord te sluiten betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, doch ze verplicht hen niet om in gezamenlijke structuren te voorzien om het bestuurlijk toezicht op die intercommunales uit te oefenen.

Door de organisatie en de uitoefening van het bestuurlijk toezicht aan één enkel gewest toe te wijzen, volgens de criteria bepaald in artikel 2 van het samenwerkingsakkoord, hebben de betrokken gewestwetgevers geen afstand gedaan van een bevoegdheid die hen was toegewezen. Ze beperken zich ertoe de reikwijdte van de bevoegdheden vast te leggen die elk gewest ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales kan uitoefenen.”

In het tweede middel werd een schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd doordat het samenwerkingsakkoord voorziet in een bijzondere regeling waarbij drie nominatim aangewezen gewestgrensoverschrijdende intercommunales (Sibelgas, Vivaqua en Tecteo) aangehecht worden bij een bepaald Gewest.

Dit middel is door het Grondwettelijk Hof verworpen. Het Hof heeft als volgt geoordeeld.

“B.18. Uit het voorgaande blijkt dat de uitzondering ten aanzien van de drie met naam genoemde intercommunales werd aangenomen met het oog op het bereiken van een evenwichtig akkoord tussen de drie betrokken gewesten en omdat noch de in de artikelen 2, eerste en tweede lid, gekozen aanhechtingscriteria, noch andere criteria pertinent werden geacht voor hun specifieke situatie. Niettemin zullen de bedoelde intercommunales, evenals alle andere gewestgrensoverschrijdende intercommunales, voortaan aan het toezicht van één gewest worden onderworpen. Aldus is het bekritiseerde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.”

Tekst arrest
ARREST
 
In zake: het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, het decreet van het Waalse Gewest van 27 maart 2014 en het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 houdende, alle drie, instemming met het samenwerkingsakkoord (gesloten op 13 februari 2014) tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de gewestoverschrijdende intercommunales, ingesteld door de gemeenten Elsene en Sint-Pieters-Woluwe.
 
Het Grondwettelijk Hof,
 
samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P.. Snape, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meerschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, 
 
wijst na beraad het volgende arrest:
 
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
 
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 oktober 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 oktober 2014, is beroep tot vernietiging ingesteld van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, het decreet van het Waalse Gewest van 27 maart 2014 en het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 houdende, alle drie, instemming met het Samenweikingsakkoord (gesloten op 13 februari 2014) tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales (respectievelijk bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 juni 2014, tweede editie, van 14 april 2014 en van 4 juli 2014) door de gemeenten Elsene en Sint-Pieters-Woluwe, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Coenraets, advocaat bij de balie te Brussel.
 
Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door :          
 
-    de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Gonthier en Mr. D. Renders, advocaten bij de balie te Brussel; 
 
-    de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg,
advocaat bij de balie te Brussel;   
                                                  
-    de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel.
 
De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend.
 
Bij beschikking van 15 juli 2015, heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 16 september 2015 en de zaak in beraad zal worden genomen.
 
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 16 september 2015 in beraad genomen.
 
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
 
II. In rechte
 
Ten aanzien van de ontvankelijkheid 
 
Standpunt van de verzoekende partijen
 
A.1.1. De verzoekende partijen verantwoorden hun belang bij het beroep door aan te voeren dat zij beide gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn en lid zijn van gewestgrensoverschrijdende intercommunales, zoals Brutele; zij zouden rechtstreeks worden beoogd door de bestreden bepalingen, die hun situatie in het kader van de werking van die intercommunales zouden aantasten.  
                                       
A.1.2. Dezelfde partijen preciseren in hun memorie van antwoord dat de bestreden normen rechtstreeks op hen betrekking zouden hebben aangezien zij, in het kader van de gewestgrensoverschrijdende communales waarbij zij zijn aangesloten - waaronder, zoals voormeld, Brutele, dat zijn activiteiten in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in het Waalse Gewest uitoefent-, het toepasselijke recht zouden moeten naleven zoals het is vastgesteld in het bestreden samenwerkingsakkoord. Ter ondersteuning van hun standpunt voeren de verzoekende gemeenten het arrest nr. 56/96 aan, waarbij het beroep dat de taxibedjijven en de taxichauffeurs hebben ingesteld tegen de ordonnantie van 27 april 1995 « betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur», ontvankelijk is verklaard; dat arrest zou naar analogie te dezen van toepassing zijn, daar de situatie van de gemeenten, in hun hoedanigheid van lid van de intercommunales, door de bestreden bepalingen wordt aangetast.
 
Die bepalingen zouden bovendien nadelige gevolgen  hebben voor de situatie van de verzoekende gemeenten, in zoverre zij ertoe worden verplicht normen na te leven die door de wetgever van een ander gewest zijn uitgevaardigd. Zo zou de intercommunale Brutele voortaan onderworpen zijn aan het WWPDD (Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie waardoor de paritaire beheersstructuur van de beheers- en beslissingsorganen van de intercommunale zou moeten worden gewijzigd, waarbij een proportionele vertegenwoordiging wordt ingevoerd, ten koste van de vertegenvoordiging van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en waarbij het mechanisme, van de opvolging binnen die organen wordt afgeschaft. Er wordt eveneens verwezen naar de rechtspraak van het Hof: aldus wordt in het arrest nr. 36/98 vastgesteld dat de situatie van een gemeente rechtstreeks en ongunstig kan worden aangetast door bepalingen die een intercommunale waarvan zij lid is, ertoe verplichten een bepaalde hoeveelheid drinkwater te leveren aan de aangesloten gezinnen, met het risico dat het financieel resultaat van de intercommunale ongunstig wordt beïnvloed, alsook bijgevolg het deel van de gemeente in dat resultaat; in het arrest nr. 66/98 is overigens besloten dat de situatie van de gemeenten die lid zijn van intercommunales van het Waalse Gewest en van een intercommunale van het Waalse Gewest rechtstreeks en ongunstig kan worden aangetast door het decreet dat de wijze van vertegenwoordiging van de gemeenten binnen de algemene vergadering van de intercommunales waarbij zij zijn aangesloten, regelt.
 
Ten slotte, in verband met de in artikel 2, §1, derde lid, van het samenwerkingsakkoord beoogde intercommunales, voeren de verzoekende gemeenten aan dat zij lid zijn van Vivaqua en dat Brutele, waarvan zij eveneens lid zijn, vennoot is in de intercommunale Tecteo.
 
Standpunt van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering
 
A.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt op dat de adressaten van de normen die zijn vervat in het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord de gewestgrensoverschrijdende intercommunales zijn en niet de gemeenten. De verzoekende partijen zouden niet aangeven hoe hun situatie rechtstreeks wordt aangetast door de toepassing, op die intercommunales, van het regionaal recht dat in het betwiste samenwerkingsakkoord wordt aangegeven, noch door de aanwijzing van de overheid die een bestuurlijk toezicht op de handelingen van die intercommunales moet uitoefenen.
 
De verzoekende partijen zouden evenmin preciseren hoe de wijziging van de juridische regeling van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales en de onderwerping van hun handelingen aan de uitoefening van een bestuurlijk toezicht de gemeenten die daarvan lid zijn, zouden benadelen en hun situatie ongunstig zouden aantasten.
 
Daarnaast wordt opgemerkt dat de gemeenten die behoren tot een ander gewest dan het gewest waarvan het recht toepasselijk is gemaakt, kunnen uittreden de gewestgrensoverschrijdende intercommunale waartoe zij behoren, zodat de in liet geding zijnde wijziging van de juridische regeling, die alleen van toepassing is op de intercommunales, zelfs niet indirect bindend zou zijn voor de verzoekende gemeenten.
 
A.3.1. In haar memorie van wederantwoord betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met name de relevantie van de analogie die wordt gemaakt met het airest nr. 56/96 : immers, in de in dat arrest beslechte zaak regelden de bestreden normen de taxidiensten, ongeacht of die werden geëxploiteerd door een natuurlijke persoon of door een vennootschap, en tastten zij bijgevolg rechtstreeks de vennootschappen aan die welke activiteit uitoefenden.
 
A.3.2. Diezelfde partij betwist overigens eveneens dat de toepassing van het WWPDD op het beheer van Brutele de verzoekende gemeenten zou benadelen. Zij zouden niet uiteenzetten hoe een evenredige verdeling binnen de beheersstructuur van de intercommunale of de afschaffing van het mechanisme van opvolging hun situatie zou kunnen ongunstig beïnvloeden. Hoewel de verzoekende gemeenten Brusselse gemeenten zijn, zouden zij niet alle Brusselse gemeenten vertegenwoordigen en zouden zij bijgevolg niet kunnen klagen over de ontstentenis van een pariteit onder de Brusselse en Waalse gemeenten binnen de.beheersorganen van de intercommunale in kwestie; de verzoekende gemeenten zou immers geen beslissende stem worden ontnomen in het beheer van Brutele wegens de onderwerping ervan aan het het Waalse recht.                                                                                           .
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt eveneens op dat artikel L1523-9 van het WLPDD bepaalt dat de statuten van de Waalse intercommunales kunnen voorzien in mechanismen die de minderheidsvennoten beschermen. Artikel L-1523-12 van het WWPDD bepaalt daarnaast dat het gewicht van het stemrecht binnen de algemene vergadering wordt bepaald door de statuten of volgens de inbreng. Niets zou bijgevolg toelaten te verklaren dat de toepassing van het Waalse recht op het beheer van Brutele het gewicht van de Brusselse gemeenten in het beheer van die intercommunale automatisch zou doen afnemen.
 
Om die redenen zou die verwijzing naar de arresten nrs. 36/98 en 66/98 niet relevant zijn.
 
A.3.3 Dezelfde partij merkt eveneens op dat de verzoekende gemeenten niet antwoorden op het argument dat is afgeleid uit de vrijheid die wordt gelaten aan de gemeenten die dat wensen, om de gewestgrensoverschrijdende intercommunales te verlaten die zouden worden onderworpen aan een ander regionaal recht dan het recht waaronder zij ressorteren; er wordt eraan toegevoegd dat de verzoekende gemeenten in werkelijkheid zouden overwegen die mogelijkheid uitl te voeren en het onderhavige beroep louter onder bewarende titel zouden hebben ingediend. De verzoekende gemeenten zouden aldus toegeven dat het alleen aan hen staat om niet aangesloten zijn bij intercommunales die zijn onderworpen aan het recht van een ander gewest, zodat de omstandigheden die hun belang zouden verantwoorden, niet zouden voortvloeien uit de bestreden bepalingen.
 
A.3.4. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering onderstreept ten slotte dat, zoals elke overheid, de gemeenten een instrument ten dienste van het belang van de burgers vormen en dat, rekening houdend met dat kenmerk, het belang van de verzoekende partijen zou moeten worden onderzocht.
 
In dat opzicht zouden de verzoekende partijen niet aantonen hoe de belangen waarvan de verdediging aan hen is toevertrouwd, minder goed zouden worden gevrijwaard onder de gelding van de bestreden bepalingen dan onder die van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales. Het gegeven dat de bestreden bepalingen "de handelingen van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales onderwerpen aan een toezicht, zou integendeel aantonen dat de belangen die de verzoekende partijen moeten bevorderen, thans een grotere bescherming genieten.
 
Standpunt van de Vlaamse Regering
 
A.4.1. De Vlaamse Regering merkt in de eerste plaats op dat de verzoekende partijen ten om echte zouden verklaren dat zij, in de hoedanigheid van gemeenten die behoren tot een bepaald gewest, zouden worden onderworpen aan de reglementering van een ander gewest. Het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord zou immers alleen tot doel hebben het op de gewestgoverschijdende intercommunales toepasselijke recht te bepalen, alsook de overheid die het toezicht op hun handelingen moet uitoefenen. Ook de Vlaamse Regeimg merkt overigens op dat de gemeenten die onder een ander gewest vallen dan het gewest waarvan het recht van toepassing is op de gewestgrensoverschrijdende intercommunale waarvan zij lid zijn, vrij zijn om hun aansluiting te beëindigen.
 
De verzoekende gemeenten zouden bijgevolg eventueel slechts indirect worden beoogd door het bestreden samenwerkingsakkoord, met name rekening houdend met het voormelde uittredingsrecht. Er wordt eveneens onderstreept dat geen enkele gewestgrensoverschrijdende intercommunale heeft verzocht om de vernietiging van het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord.
 
A.4.2. Het beroep zou in het bijzonder onontvankelijk zijn in zoverre het is gericht tegen artikel 2, § 1, derde lid, van het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord.
 
De verzoekende gemeenten zouden immers niet aantonen dat zij lid zijn van Vivaqua, Tecteo en Sibelga; de verzoekende gemeenten zouden bovendien niet aangeven hoe hun situatie rechtstreeks en ongunstig zou worden aangetast door een norm waarbij de overheid wordt aangewezen die het toezicht op die gewestgrensoverschrijdende intercommunales moet uitoefenen; ten slotte zouden zij evenmin preciseren hoe zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden getroffen door het verschil in behandeling dat die bepaling zou invoeren ten opzichte van andere gewestgrensoverschijdende intercommunales.  
                                                            
A.4.3. De Vlaamse Regering onderstreept ten slotte, hetgeen zij bevestigt in haar memorie van wederantwoord, dat het Hof in elk geval niet bevoegd is om het bestreden samenwerkingsakkoord te vernietigen, omdat een dergelijk akkoord als dusdanig geen enkel juridischie werking heeft.
 
A.5.1. In haar memorie van wederantwoord herinnert de Vlaamse Regering aan haar vorige argumentatie en betwist ook zij de relevantie van de verwijzing, door de verzoekende partijen, naar het arrest van het Hof nr. 56/96, aangezien hun activiteiten te dezen niet rechtstreeks en ongunstig worden aangetast door het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord. 
                                                            
Er wordt eveneens opgemerkt dat, in de veronderstelling dat er een nadeel bestaat voor de verzoekende gemeenten, dat nadeel niet zou voortvloeien uit het bestreden samenwerkingsakkoord, maar uit het regionaal recht dat toepasselijk is gemaakt op grond van dat akkoord, alsook uit de criteria die daarin zijn vastgelegd. Een en ander zou overigens blijken uit de argumentatie van de verzoekende partijen, aangezien zij verwijzen naar het WWPDD en naar de daarin vervatte regels inzake de samenstelling van de organen van de intercommunales.
 
De Vlaamse Regering onderstreept eveneens dat, rekening houdend met het uittredingsrecht waarin artikel 2, § 2, van het akkoord voorziet, het eventuele nadeel dat de verzoekende gemeenten zouden lijden, niet uit dat akkoord zelf zou voortvloeien maar uit de keuze van die gemeenten om binnen de gewestgrensoverschrijdende intercommunales te blijven waarvan zij lid zijn.
 
A.5.2. De Vlaamse Regering herinnert overigens aan haar eerdere argumentatie betreffende artikel 2, § 1, derde lid, van het geding zijnde samenwerkingsakkoord en de drie in die bepaling beoogde intercommunales, en zet die uiteen.
 
Ten aanzien van het feit dat de verzoekende gemeenten hun hoedanigheid van lid van de intercommunale Vivaqua aanvoeren, zouden die verzoekende partijen niet aantonen hoe zij ongunstig zouden kunnen worden geraakt door de onderwerping van die intercommunale aan lhet recht van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Evenzo zou geenszins zijn aangetoond hoe de toepassing, op de intercommunale Tecteo, van het recht van het Waalse Gewest de aansluiting van de verzoekende partijen bij de intercommunale Brutele rechtstreeks en ongunstig zou aantasten. Meer algemeen zouden de verzoekende partijen niet aantonen welke schade de voormelde bepaling hun zou berokkenen, noch welk voordeel hun bij die bepaling zou worden ontzegd.
 
Standpunt van de Waalse Regering
 
A.6. In haar memorie van wederantwoord wijst de Waalse Regering in de eerste plaats op het « ongewone » karakter van het beroep, aangezien de Brusselse ordonnantie houdende instemming met het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord unaniem is goedgekeurd door de leden van het Brussels Parlement, onder wie de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Woluwe en verschillende schepenen of raadsleden van een of meer verzoekende gemeenten.
 
Wat liet belang betreft, betwist de Waalse Regering overigens, zoals de andere Regeringen, het bestaan van ongunstige gevolgen voor de verzoekende partijen; die partij ziet niet in hoe de komende statutaire wijzigingen van de intercommunales niet zullen kunnen tegemoetkomen aan de rechten en belangen van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die voortaan zouden worden onderworpen aan de bepalingen van het WWPDD, rekening houdend met de bepalingen van dat Wetboek inzake de bescherming van de belangen van de minderheidsvennoten, meer bepaald het voormelde artikel L1523-9, tweede lid, ervan. Ook de Waalse Regering merkt op dat de intercommunale Vivaqua zal worden onderworpen aan het in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toepasselijke recht, zodat men niet inziet hoe de situatie van de verzoeksters, die lid zijn van die intercommunale, « definitief zou kunnen worden aangetast in die hoedanigheid ».
 
Ten gronde
 
Wat hel eetste middel betreft
 
Standpunt van de verzoekende partijen
 
A.7.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 4, 27, 39 en 134 van de Grondwet, van de artikelen 6, § 1, VIII, 7°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsook van artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.   
 
Terwijl het sluiten van de samenwerkingsakkoorden bepaald in artikel 92bis, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet zou kunnen leiden tot een uitwisseling of een afstand van bevoegdheden door een partij bij het akkoord, merken de verzoekende partijen op dat de bestreden bepalingen onder meer de artikelen 1, 2 en 3 van het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales goedkeuren; die artikelen bepalen de criteria inzake de aanhechting en de vaststelling van het toepasselijke recht in het kader van de uitoefening van het bestuurlijk toezicht op de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, waar door de in een gewest inzake bestuurlijk toezicht op de intercommunales aangenomen bepalingen integraal van toepassing worden op gemeenten die in een ander gewest zijn gelegen.
 
A.7.2. De verzoekende partijen voeren in dat verband het arrest nr. 17/94 van 3 maart 1994 aan. Dat arrest zou verhelderend zijn, aangezien het betrekking heeft op een snmenwerkingsakkoord dat een mechanisme invoert inzake het toezicht op de OCMW's door een nieuwe overheid, en aangezien het antwoordt op de vraag of de Franse Gemeenschap aan die nieuwe juridische instelling - genoemd « de Instelling » - de zorg kon delegeren om dat toezicht in haar naam uit te oefenen.
 
Volgens de verzoekende partijen zou te dezen evenwel niet zijn voldaan aan de voorwaarden die het Hof in dat arrest ertoe hebben gebracht het akkoord goed te keuren. Enerzijds zou het akkoord de afstand met zich meebrengen van de normatieve bevoegdheid van een gewest ten gunste van een ander gewest in verband met het definiëren van de wettelijke regeling inzake het toezicht op de intercommunales en - meer bepaald- de werkingswijze ervan; een en ander zou zover gaan dat de gemeenten van een gewest de door de wetgever van een ander gewest uitgevaardigde normen moeten naleven (met name in verband met de voorstelling van de kandidaten die zitting zullen hebben in de organen van de intercommunale); het radicale karakter van artikel 2, § 1, van het akkoord zou voor problemen zorgen, omdat dat artikel het recht van het gewest waaronder de publiekrechtellijke rechtspersonen ressorteren die samen over het grootste deel van het aandeelhouderschap beschikken, zonder meer toepasselijk maakt. De verzoekende partijen onderstrepen anderzijds de ontstentenis van een medebeheer inzake het toezicht op de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, omdat, in tegenstelling tot de Instelling, die in het geding is in het voormelde arrest nr. 17/94, geen enkele gemeenschappelijke structuur is ingevoerd om dat toezicht gezamenlijk uit te oefenen: dat toezicht zou helemaal en plotseling toevallen aan het ene of het andere gewest.
 
Om die redenen zouden het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 en, daarna, de instemmingsordonnanties en -decreten, een werkelijke afstand van bevoegdheid van een gewest in het voordeel van een ander gewest met zich meebrengen, eveneens ten koste van de naleving van het beginsel van de territorialiteit van de bevoegdheden: voor een intercommunale zoals Brutele, die zich uitstrekt over het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en van het Waalse Gewest, zal het WWPDD integraal uitwerking hebben voor de gemeenten die nochtans gelegen zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ofwel buiten het grondgebied van het Waalse Gewest. Een en ander zou met name tot gevolg hebben, bijvoorbeeld in het geval van de intercommunale Brutele, dat de paritaire beheersstructuur van de beheers-en beslissingsorganen
wordt gewijzigd door die te vervangen door een proportionele verdeling, ten koste van de vertegenwoordiging van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
 
A.7.3. De verzoekende partijen zetten eveneens uiteen dat de bestreden bepalingen, in tegenstelling tot wat in het voorwoord van het samenwerkingsakkoord wordt verklaard, afbreuk zouden doen aan het volle daadwerkelijk karakter van de vrijheid van vereniging van de gemeenten.
 
De integrale toepassing van het recht dat van kracht is in een ander gewest, zou ertoe leiden dat de werkingswijze van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales fundamenteel in het geding wordt gebracht, met name wat betreft het evenwicht dat bestaat op het vlak van de samenstelling van de beslissings- en beheersorganen, de vrijheid van vereniging van de gemeenten van een gewest zou aldus worden beperkt door de integrale toepassing van het recht dat in een ander gewest van toepassing is, ten koste van de normen die in het eigen gewest van kracht zijn.         
                                                                                                                                              
A.8.1. In hun memorie van antwoord zetten de verzoekende partijen in de eerste plaats uiteen dat zij wel degelijk de schending aanvoeren van artikel 6, § 1, VlII, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat de gewesten bevoegd maakt om de verenigingen van provincies, bovengemeentelijke besturen en gemeenten tot het, door hen aangevoerde, nut van het algemeen te regelen.
 
A.8.2. Door met name te verwijzen naar de rechtsleer onderstrepen dezelfde partijen overigens dat het verbod van elke afstand van bevoegdheid zowel geldt voor de facultatieve akkoorden - de meest talrijke - als voor de verplichte akkoorden, die op limitatieve wijze worden opgesomd in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.                                                     9,; ' ; ’
 
A.8.3. De verzoekende partijen zetten eveneens uiteen dat het feit dat de gewestgrensoverschrijdende intercommunales tot de aanneming van het samenwerkingsakkoord waren onderworpen aan de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, niet zou toelaten om, zoals de andere partijen doen, het bestaan van een afstand van bevoegdheid te dezen te weerleggen: het zou daarbij gaan om een
overgangsregeling tot de inwerkingtreding van een samenwerkingsakkoord waarin de voorwaarden voor de gezamenlijke uitoefening van de eigen bevoegdheden van de gewesten ter zake worden vastgesteld; de gewesten zouden dus bevoegd moeten blijven voor de intercommunales, zoals bepaald in artikel 6, § 1, VIII, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.                                     - o ;\
 
A.8.4. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat het betwiste samenwerkingsakkoord geen « gezamenlijke » uitoefening van die eigeh bevoegdheid tot stand zou brengen, maar zou leiden tot een volledige overdracht van die bevoegdheid van het ene gewest naar het andere, zodat er wel degelijk sprake zou zijn van een afstand van normatieve bevoegdheid. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zou zijn bevoegdheid verliezen om wetgevend op te treden en de juridische regeling vast te stellen die van toepassing is op sommige gewestgrensoverschrijdende intercommunales waaraan de Brusselse gemeenten deelnemen, en zulks in het voordeel van het Waalse Gewest (bijvoorbeeId Brutele). Voor de krachtens het akkoord aan een bepaald gewest verbonden intercommunales, zien de twee andere gewesten af van hun normatieve bevoegdheid en kunnen zij het te hunnen aanzien toepasselijke recht niet meer vaststellen, vermits de toepassing van het recht van een gewest de uitsluiting van het recht van die twee andere gewesten ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales impliceert. Onder die voorwaarden zou geen sprake kunnen zijn van een gezamenlijke uitoefening van de eigen bevoegdheid van de gewesten.
 
Bovendien zou het feit dat, met het samenwerkingsakkoord, wordt aanvaard dat hun autonomie wordt beperkt door de toepassing van het recht van een ander gewest, de afstand van bevoegdheid die daaruit voortvloeit geenszins omzeilen. Een akkoord kan op zich geen afsfand van bevoegdheid verantwoorden.
 
Ten slotte zou de oprichting van een overlegcommissie (artikel 5 van het samenwerkingsakkoord) evenmin toelaten het bestaan van een afstand van bevoegdheid te weerleggen
 
A.8.5. Ten aanzien van de toezichtsbevoegdheid voeren de verzoekende partijen aan dat het, in tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering verklaart, wel degelijk gaat om een algemene bevoegdheid die onderworpen is aan de naleving van de bevoegdheidverdelende regels, los van het feit dat die in wezen bestaat uit individuele beslissingen.
 
De informatieplicht bepaald in artikel 7 van het in het geding zijnde akkoord zou overigens niets veranderen aan het feit dat de gewesten die hun bevoegdheid verliezen, in de praktijk niet meer kunnen worden gekwalificeerd als toezichthoudende overheid, daar dat toezicht uitsluitend wordt uitgeoefend door het andere gewest. Het zou wel degelijk het wezen zelf van de bevoegdheid zijn dat door de twee andere gewesten wordt gedelegeerd aan het gewest dat bevoegd is op basis van de aanhechtingscriteria, zodat er effectief sprake zou zijn van een afstand van bevoegdheid. De twee andere gewesten zouden geen enkele vat meer hebben op de besluitvorming.
 
Bovendien is geen enkele gemeenschappelijke structuur ingevoerd om dat toezicht gezamenlijk uit te oefenen, in tegenstelling tot de hypothese die beslecht werd in het arrest nr. 17/94. Te dezen worden de gewesten niet ertoe gebracht gezamenlijke beslissingen te nemen, zodat bijvoorbeeld het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in het geval van de intercommunale Brutele, elke bevoegdheid zal hebben opgegeven. Zonder een systeem van medebeheer van het toezicht zou het samenwerkingsakkoord bijgevolg inbreuk maken op de bevoegdheidverdelende regels.
 
A.8.6. Wat ten slotte de schending van het territorialiteitsbeginsel betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat het feit dat de gewestgrensoverschrijdende intercommunales per hypothese zijn gelegen op het grondgebied van verschillende gewesten, voor die laatste niet de mogelijkheid met zich meebrengen om uitsluitend te worden geregeld door het recht van een van die gewesten, verschillend van dat op het grondgebied waar zij gevestigd zijn.      
 
Standpunt van de Brussele Hoofdstedelijke Regering   
                    
A.9.1. Die partij merkt in de eerste plaats op dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van artikel 6, § 1, VIII, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat aan de gewesten de bevoegdheid verleent om de begraafplaatsen en de lijkbezorging te regelen.
 
A.9.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering zet vervolgens uiteen dat het bestreden samenwerkingsakkoord geen enkele afstand van bevoegdheid door een gewest in het voordeel van een ander inhoudt.            
                                                  
Dat akkoord vormt immers een samenwerkingsakkoord dat, gelet op artikel 92bis, d), en artikel 94, § 2, van de wet van 8 augustus 1980, moet wqrden gesloten opdat de gewesten bevoegdheden ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales kunnen uitoefenen. Vóór de aanneming van de bestreden normen waren die intercommunales geregeld bij de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en niet door enig regionaal recht; zij ontsnapten bovendien aan elk gewestelijk toezicht. Het bestreden samenwerkingsakkoord houdt bijgevolg geen enkele afstand van bevoegdheid in en maakt het de ondertekenende gewesten daarentegen mogelijk om nieuwe bevoegdheden te verwerven die zij vroeger niet hadden.
 
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt eveneens op dat de lering van het door de verzoekende partijen aangevoelde arrest nr. 17/94 uitsluitend betrekking heeft op de zogeheten «facultatieve» samenwerkingsakkoorden, die hun grondslag vinden in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980; die lering zou niet kunnen worden doorgetrokken naar de zogeheten «verplichte» samenwerkingsakkoorden, die de gewesten moeten sluiten om hun bevoegdheden in de in artikel 92bis, § 2, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 opgesomde aangelegenheden te kunnen uitoefenen.
 
A.9.3. Dezelfde partij betwist eveneens elke schending van het territorialiteitsbeginsel.
 
Per hypothese oefenen de gewestgrensoverschrijdende intercommunales hun activiteiten immers uit op het grondgebied van verschillende gewesten, aangezien zij van nature ontsnappen aan de eenheid van het grondgebied en aangezien de gewesten het eens geworden zijn over de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden te hunnen aanzien, kan het beginsel van de territorialiteit van de bevoegdheden niet geschonden zijn.
 
A.9.4. Wat ten slotte de schending van de vrijheid van vereniging betreft, zet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering allereerst uiteen dat artikel 27 van de Grondwet uitsluitend de oprichting van privéverenigingen en de deelname aan hun activiteiten waarborgt: het zou derhalve niet van toepassing zijn op de gemeenten.
 
Het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord verbiedt de gemeenten overigens niet zich aan te sluiten bij een bestaande gewestgrensoverscinijdende intercommunale, noch nieuwe op te richten; het voorziet daarnaast uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een bestaande gewestgrensoverschrijdende intercommunale te verlaten.
 
Ten slotte verbiedt artikel 27 van de Grondwet niet dat de uitoefening van de vrijheid van vereniging aan bepaalde voorwaarden wordt onderworpen en de verzoeksters zouden niet uiteenzetten hoe de bestreden bepalingen de vrijheid die zij menen te kunnen genieten, op onredelijke wijze zouden beperken.
 
A.10.1. In haar memorie van antwoord betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in de eerste plaats dat de verzoekende gemeenten de grond van hun middel in de loop van de procedure kunnen wijzigen: hun verzoekschrift beoogt artikel 6, § 1, VIII, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; bijgevolg zou het aanvoeren van een andere bepaling niet tijdig en onontvankelijk zijn. 
 
A.10.2. Diezelfde partij vult haar eerdere argumentatie overigens aan door uiteen te zetten dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende gemeenten aanvoeren, de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de gewesten elke bevoegdheid ten aanzien van die intercommunales ontzegt zolang zij niet het vereiste samenwerkingsakkoord hebben gesloten: het sluiten van dat akkoord kan derhalve geen enkgle afstand van bevoegdheid met zich meebrengen, maar maakt het integendeel mogelijk bevoegdheden te verwerven. Vóór dat akkoord beschikten de gewesten over geen enkele bevoegdheid om de juridische regeling te bepalen, die van toepassing is op sommige gewestgrensoverschrijdende intercommunales, en hun handelingen ontsnapten aan elk toezicht. Er zou dus geen enkele afstand van bevoegdheid zijn.       
                           
Er zou geen sprake kunnen zijn van een afstand van bevoegdheid door de ondertekenende gewesten, temeer daar, in geval van vernietiging van de bestreden bepalingen, zou moeten worden teruggekeerd naar de status quo ante: de gewesten zouden opnieuw elke normatieve bevoegdheid ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales verliezen, waarbij die laatste zouden worden geregeld bij de wet van 22 december 1986 betreftende de intercommunales, en de gewestgrensoverschrijdende intercommunales zouden voorts aan elk toezicht ontsnappen.   
                                                                                 
A.10.3. Het territorialiteitsbeginsel belet dat een gewest op zich enige bevoegdheid kan uitoefenen ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, wanneer geen samenwerkingsakkoord is gesloten zoals opgelegd bij artikel 92bis, § 2, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het territorialiteitsbeginsel verbiedt niet dat het betwiste samenwerkingsakkoord het aanhechtingscriterium bepaalt dat het mogelijk zal maken de gewesten te identificeren die hun bevoegdheden inzake die intercommunales en het toezicht erop zullen uitoefenen: dat beginsel verplicht de gewesten immers niet ertoe in de plaats te treden van de federale wetgever om een uniek statuut te creëren, dat op uniforme wijze van toepassing is, op alle gewestgrensoverschrijdende intercommunales, en dat het statuut van de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales zou vervangen. Dat beginsel verplicht de gewesten overigens evenmin om het toezicht op de gewestgrensoverschrijdende intercommunales gezamenlijk uil te oefenen.
 
Standpunt van de Vlaamse Regering
 
A.11.1. Ook die partij zet uiteen dat artikel 27 van de Grondwet uitsluitend de vrijheid van vereniging van privaatrechtelijke personen zou beschermen, met uitsluiting van de gemeenten; het samenwerkingsakkoord laat hun vrijheid om zich te verenigen bovendien intact.
 
In elk geval zou artikel 27 van de Grondwet niet verbieden dat voorwaarden worden vastgesteld voor de uitoefening van het recht van vereniging. Er wordt ook opgemerkt dat artikel 162, vierde lid, van de Grondwet eveneens bepaalt dat de vrijheid die de bevoegde wetgevers aan de gemeenten laten om zich te verenigen, aan voorwaarden kan worden onderworpen.
 
Ten slotte voorziet het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord erin dat de gemeenten een gewestgrensoverschrijdende intercommunale kunnen verlaten waarvoor een recht van toepassing is dat met het recht is waaronder het ressorteert.
 
A.11.2. Ten aanzien van de schending van de bevoegdheidverdelende regels onderstieept de Vlaamse Regeling dat alleen sprake kan zijn van een afstand van bevoegdheid indien een overdracht van normatieve bevoegdheid op bet spel staat; een afstand van bevoegdheid zou inhouden dat een entiteit in de absolute onmogelijkheid verkeert om in een bepaalde aangelegenheid wetgevend op te treden.
 
Te dezen maakt het bestreden samenwerkingsakkoord het echter de gewesten mogelijk hun bevoegdheden inzake gewestgrensoverschijdende intercommunales uit te oefenen, terwijl zij dat tot dan toe niet konden doen, waarbij zij hun bevoegdheden ten aanzien van de intercommunales binnen één gewest ten volle behouden. Geen enkel gewest zou afstand doen van zijn bevoegdheden ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, aangezien het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord een overlegcommissie opricht waarin alle gewesten vertegenwoordigd zijn en waarop elk van hen een beroep kan doen.
 
Wat ten slotte de bevoegdheid inzake de uitoefening van het bestuurlijk toezicht betreft, zou het niet gaan om een normatieve bevoegdheid, maar om de aanneming van individuele beslissingen, zodat in dat opzicht géén sprake zou zijn van een « afstand van bevoegdheid ». De Vlaamse Regeling onderstreept eveneens de plichten, met name de informatieplicht, die voortvloeien uit de artikelen 6 en 7 van het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord en waaruit blijkt dat er geen plotse of volledige afstand van bevoegdheid van een gewest ten behoeve van een ander zou zijn. Ten slotte zou de gewestelijke bevoegdheid ten aanzien kan de gemeenten die bij een gewestgrensoverschijdende intercommunale zijn aangesloten, intact blijven.
 
Standpunt van de Waalse Regering    
                                              
A.12.1. Die partij zet in de eerste plaats uiteen dat, volgens de rechtspraak van het Hof (arresten nrs. 178/2005, 85/2008 en 40/2012), de ontstentenis van samenwerking in een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever voorziet in een verplichte samenwerking, niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel dat eigen is aan elke bevoegdheidsuitoefening. Er wordt echter opgemerkt dat het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord, vereist sinds juli 1993, pas in april 2014 kon worden gesloten.
 
A.12.2. De Waalse Regering onderstreept eveneens dat de beoordeling van het bestaan van een afstand van bevoegdheid door een samenwerkingsakkoord moet verschillen naargelang het gaat om een facultatief dan wel verplicht samenwerkingsakkoord; in het eerste geval zou het bestaan van een afstand van bevoegdheid op strikte wijze moeten worden beoordeeld, terwijl dat in het tweede geval op genuanceerde wijze zou moeten zijn.
 
Te dezen verplichten echter noch de Grondwet, noch de bijzondere wet om in een samenwerkingsakkoord een nieuwe  wetgeving tot stand te brengen betreffende de organisatie en de werking van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, die zou verschillen van de op de intercommunales toepasselijke wetgeving; geen enkele norm zou de gewesten beletten om samen de criteria te kiezen inzake de aanhechting ervan met de wetgeving van één ervan.
 
In elk geval merkt ook de Waalse Regering op dat te dezen geen sprake kan zijn van een afstand van bevoegdheid, aangezien geen enkel gewest vóór de aanneming van de bestreden bepalingen, beschikte over de bevoegdheid waarbij het op zich eender wat ten aanzien van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales kan vaststellen. 
 
Dezelfde partij onderstreept eveneens, in haar memorie van wederantwoord, dat de gewestregeringen bevoegd blijven voor de uitoefening van het toezicht op de beslissingen van de gemeenten in verband met de werking van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales.
 
Wat het tweede middel betreft
 
Standpunt van de verzoekende partijen
 
A.13. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook uit de gelijkheids- en niet-discriminatieregels.
 
De verzoekende partijen bekritiseren de ordonnantie en de twee bestreden decreten in zoverre daarbij artikel 2, §1, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 wordt goedgekeurd, dat rechtstreeks de gewesten aanwijst die het toezicht moeten uitoefenen op drie uitdrukkelijk vermelde gewestgrensoverschrijdende intercommunales, namelijk Sibelga, Vivaqua en Tecteo. Door af te wijken van de aanhechtingscriteria waarin is voorzien voor de andere gewestgrensoverschrijdende intercommunales, zou het samenwerkingsakkoord een verschil in behandeling invoeren dat op geen enkel objectief criterium zou berusten waardoor dat verschil in behandeling redelijk zou kunnen worden verantwoord.
 
Het voormelde artikel 2, § 1, derde lid, zou aldus een juridische regeling invoeren die afwijkt van die welke is ingevoerd door de eerste twee leden vart hetzelfde artikel, aangezien die laatste de juridische regeling bepalen die van toepassing is op een gewestgrensoverschrijdende intercommunale op grond van twee criteria, in verband met ofwel de aandeelhouders, ofwel de eindverbruikers; de verzoekende partijen merken op dat de toepassing van die criteria niet noodzakelijkerwijs tot gevolg zou hebben bijvoorbeeld het recht van het Vlaamse Gewest van toepassing te maken op de intercommunale Sibelga.                                                                                                                 .
A.14.1. In hun memorie van antwoord vullen de verzoekende partijen hun eerdere argumentatie aan door te onderstrepen dat, in tegenstelling tot wat de andere partijen verklaren, er wel degelijk sprake is van een ongelijke behandeling: de drie intercommunales, die van nature vergelijkbaar zijn met de andere intercommunales, omdat zij allemaal geweststgrensoverschrijdend zijn, krijgen een specifiek en permanent toezicht, in tegenstelling tot de andere gewestgrensoverschrijdende intercommunales waarvoor het aanhechtingscriiterium evolutief is, aangezien het afhankehjk is van de aandeelhouders of het aantal eindverbruikers.                       ^
 
A.14.2. Ten aanzien van de verantwoording die is afgeleid uit het bestaan van specifieke belangen van elk ondertekenend gewest, antwoorden de verzoekende partijen dat in de uittreksels van de parlementaire voorbereiding alleen gewag wordt gemaakt van « gewestelijke belangen », zonder enige andere precisering, en dat een dergelijke verantwoording niet aanvaardbaar zou zijn.
 
Ten aanzien van het doel dat erin bestaat elk verlies van verworven toezicht door de toepassing van het algemeen aanhechtingscriterium te vermijden, betwisten de verzoekende partijen overigens dat de gewestelijke belangen toelaten de drie in het geding zijnde intercommunales te onderwerpen aan een definitief toezicht, terwijl het ook gaat om gewestgrensoverschrijdend intercommunales. Er zou geen redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de bekritiseerde maatregel en het beoogde doel, vooral ook omdat die maatregel, ter herinnering, een afstand van bevoegdheid van het gewest ten behoeve van een ander impliceert.
 
In de memorie van antwoord wordt ten slotte herinnerd aan het arrest nr. 56/92, waarin het Hof heeft beslist (B.10) dat, hoewel het ongetwijfeld wenselijk is dat de voorwaarden voor een uittreding in eenzelfde intercommunale niet fundamenteel verschillen naar gelang van het gewest waartoe de gemeente die zich terugtrekt, behoort, een onderscheiden regelementering niet dermate onuitvoerbaar is dat, om de nadelen daarvan te vermijden, aan de gewesten een bevoegdheid zou moeten worden ontnomen die hun door de bijzondere wet is toegekend.       
 
Standpunt van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering
 
A.15.1. Die partij zet in de eerste plaats uiteen dat de gewesten algemene aanhechtingscriteria hebben vastgesteld - namelijk - de samenstelling van het aandeelhouderschap en, voor de intercommunales met distributiediensten, het aantal eindverbruikers - die in de tijd kunnen evolueren; voor een gewestgrensoverschrijdende intercommunale kan bijgevolg het op haar toepasselijke recht wijzigen volgens de ontwikkeling van haar aandeelhouderschap of de samenstelling van haar clienteel.
 
Op de dag dat het samenwerkingsakkoord is gesloten en dat instemming ermee is verleend, impliceerde de toepassing van de voormelde algemene toewijzingscritcria dat het toezicht op Vivaqua werd uitgeoefend door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het toezicht op Tecteo door het Waalse Gewest en het toezicht op Sibelga door het Vlaamse Gewest. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt echter op dat de toepassing van het aanhechtingscriterium waarin specifiek is voorzien voor de uitoefening van het toezicht op de drie voormelde Intercommunales tot hetzelfde resultaat leidt als de toepassing van de aanhechtingscriteria waarin in beginsel is voorzien voor de gewestgrensoverschrijdende intercommunales.
 
A.15.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering merkt vervolgens op dat in de parlementaire voorbereiding van de normen tot instemming met het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord wordt aangegeven dat, voor drie bepaalde intercommunales, de gewesten in het licht van de naleving van het evenwicht tussen hen en de vrijwaring van hun eigen gewestelijke belangen, de bevoegdheid hebben willen consolideren inzake het toezicht dat hun is toegekend door de toepassing van het algemeen aanhechtingscriterium, dat evolutief is en bij datzelfde akkoord is vastgesteld. De bekritiseerde bepaling zou ertoe strekken te verzekeren dat een eventuele wijziging van het aandeelhouderschap of van de cliënteel van Tecteo, Sibelga en Vivaqua niet zou leiden tot een verlies van de uitoefening van het toezicht daarop door de ondertekenende gewesten. Elk ondetekenend gewest heeft geoordeeld dat de uitoefening van het toezicht op die drie intercommunales voor hem een waarborg vormde in het kader van de gepaste uitoefening van zijn bevoegdheden en dat zij dat toezicht wenste te kunnen behouden wanneer het op die intercommunales toepasselijke recht zou wijzigen.
 
Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zou de bekritiseerde bepaling een gepaste en redelijke maatregel vormen die het mogelijk maakt het voormelde gewettigde doel te bereiken.
 
A.16. In haar memorie van wederantwoord wijst diezelfde partij allereerst erop dat de verzoekende gemeenten toegeven dat de toepassing van het door hen bekritiseerde aanhechtingscriterium zich ertoe beperkt, voor de uitoefening van het toezicht, de algemene aanhechtingscriteria te consolideren die van toepassing zijn op alle gewestgrensoverschrijdende intercommunales.                                                                                       7
 
Uit de uittreksels van de parlementaire voorbereiding, de ordonnantie en de decreten houdende instemming met het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord, die in detail worden weergegeven in de memorie, zou overigens blijken dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, de redenen die de ondertekenende partijen ertoe hebben gebracht het aanhechtingscriterium te consolideren dat het mogelijk maakt het gewest aan te wijzen dat bevoegd is om het toezicht op Vivaqua, Sibelga en Tecteo uit te oefenen, uitdrukkelijk worden bevestigd door elke gewestwetgever.
 
De bekritiseerde maatregel zou derhalve redelijk en adequaat zijn om de daarin weergegeven gewettigde doelstellingen te bereiken, namelijk voorkomen dat de evolutie van het aandeelhouderschap of van de cliënteel van de drie aangewezen intercommunales niet leidt tot het verlies, voor de gewesten, van een toezicht dat volgens hen essentieel is om een bepaald beleid tot een goed einde te brengen.
 
Uit dezelfde parlementaire voorbereiding zou bovendien blijken dat die maatregel noodzakelijk is geacht voor het vrijwaren van de gewestelijke belangen en dat die een voowaarde vormde voor het sluiten van het samenwerkingsakkoord dat sinds juli 1993 vereist is bij de voormelde bijzondere wet.
 
Standpunt van de Vlaamse Regering
 
A 17.1. Na eraan te hebben herinnerd dat het Hof, op basis van zijn uitspraak en in het kader van zijn controle, niet in de plaats kan treden van de wetgever, merkt de Vlaamse Regering in de eerste plaats op dat de verzoekende gemeenten niet uiteenzetten dat zij lid zijn van een van de drie in de bekritiseerde bepaling beoogde intercommunales. In elk geval wordt eraan herinnerd dat het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord, in artikel 2, § 2, ervan, de gemeenten toestaat de in het betwiste samenwerkingsakkoord beoogde intercommunales te verlaten, zodat de eventuele ongelijke behandeling waarover de verzoekende partijen klagen, berust op hun keuze, hetgeen een schending van het gelijkheidsbeginsel zou uitsluiten.
 
A.17.2. Ook de Vlaamse Regering voert aan dat de bestreden bepaling geen enkel verschil in behandeling invoert: de toepassing van de algemene aanhechtingscriteiia leidt immers lot hetzelfde resultaat als hetwelk wordt verkregen door de toepassing van de betwiste bepaling.
 
A.17.3. In elk geval zou het aangevoerde verschil in behandeling redelijk verantwoord zijn door het zoeken naar een moeilijk te bereiken institutioneel evenwicht, zoals daarop is gewezen tijdens de parlementaire voorbereiding van het Waals decreet houdende instemming met lhet samenwerkingsakkoord. De Vlaamse Regering onderstreept daarnaast, naar analogie met het arrest van het Hof nr. 96/2014, dat de keuze van een nominatieve reglementering niet is gebeurd met schending van de fundamentele rechten en vrijheden.
 
A.18. In haar memorie van wederantwoord zet de Vlaamse Regering met name uiteen dat de door de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord uiteengezette argumentatie (A.14.2) - in zoverre die de schending van het gelijkheidsbeginsel combineert met de kritiek inzake de afstand van bevoegdheid van een gewest ten behoeve van een ander - op grond van de irechtspraak van het Hof niet ontvankelijk zou zijn, daar het zou gaan om een nieuw middel.
 
Standpunt van de Waalse Regering
 
A.19.1. De Waalse Regering merkt in de eerste plaats op dat, thans, elk van de drie in het geding zijnde intercommunales (Sibelga, Vivaqua en Tecteo) meer eindverbruikers van distributiediensten in respectievelijk
het Vlaamse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest, telt. Die partij heeft bijgevolg vragen bij het belang van de verzoekende partijen, die geenszins aangeven in welke zin zij van mening
zouden zijn dat de situatie van Brutele waarnaar zij verwijzen, vergelijkbaar zou zijn met die van de drie hiervoor genoemde intercommunales. Er wordt eveneens opgemerkt dat de intercommunale Brutele, waarvan de
verzoekende partijen lid zijn, meer eindverbruikers van distributiediensten in het Waalse Gewest telt.
 
A.19.2. Ook de Waalse Regering onderstreept overigens dat het bijzondere lot, voor de toekomst, van de drie in het geding zijnde intercommunales verantwoord zou zijn door het bijzonder strategisch belang dat elk van
hen voor de betrokken gewesten vertegenwoordigt, zoals zou blijken uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde ordonnantie.
                                                                                               
A.20.1, In haar memorie van wederantwoord merkt de Waalse Regeling in de eerste plaats op dat het paradoxaal is haar belang te verantwoorden door de omstandigheid dat de onderwerping van Brutele aan het op
de Waalse intercommunales toepasselijke recht de belangen van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zou kunnen aantasten, waarbij tegelijk wordt betwist dat de intercommunale Vivaqua onderworpen blijft aan het in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toepasselijke recht. 
 
A.20.2. Ook dezelfde partij herinnert overigens eraan dat de intercommunales Sibelga, Vivaqua en Tecteo meeri eindverbruikers van distributiediensten tellen in respectievelijk het Vlaamse Gewest, het Brusselse Gewest
en het Waalse Gewest, en dat die overheidsondernemingen een strategisch belang vertonen voor elk van de drie betrokken gewesten.   
                                                                   :
In dat laatste opzicht voegt de Waalse Regering eraan toe dat de verzoekende partijen niet trachten aan te tonen dat, in het licht van het criterium van het strategich belang, die drie intercommunales zich in dezelfde
situatie zouden bevinden als die welke niet bij naam worden beoogd in het in het geding zijnde samenwerkingsakkoord.                                  
 
Ten aanzien van de omvang van de saisine
 
B.1. De verzoekende partijen votderen de vernietiging van de ordonnantie van het
Brusselse Hdofttètedelijke Gewest van 8 mei 2014, van het decteet van het Waalse Gewest
van 27, maart 2014 en van het decieet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014, waarmee
instemming wordt verleend met het samenweikingsakkoord gesloten op 13febiuari 2014
tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest
betieffende de gewestgiensoveischrijdende inteicommunales.
De verzoekende pat tijen vorderen eveneens, « voor zover nodig », de vernietiging van dat
samenwerkingsakkooid.
 
14
 
B.2. Kiachtens artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen over de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een decreet of van eerr regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet ten aanzien waarvan de schending vair een van de in datzelfde artikel 1 vermelde grondwetsbepalingen wordt aangevoerd.
 
Die bevoegdheid van het Hof betreft eveneens de wetskrachtige normen houdende
 
instemming met een samenwerkingsakkoord. De rationele uitoefening van die bevoegdheid verorrderstelt dat het Hof ook de inbond van het samenwerkingsakkoord bij zijn^ondéizoek betrekt. In zoverre het beroep tot vernietiging gericht is tegen het samenwerkingsakkoord, is het niet ontvankelijk.                                                                                                        ,,,
 
B.3.1. Het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014 betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales bepaalt:                   ra ; ^
 
; -JA '
, 'x 9
«Definities                                                                ;; j,
As'
Artikel 1. Voor de toepassingvan dit akkoord,'wofdtverstaan onder :
'k 1       'O-~
1° gewestgrensoverschrijdende int^icomnipnale: een vereniging opgericht door verscheidene gemeenten met welbepaalde oogmerken van gemeentelijk belang waarbij gemeenten uit meet dan één Gewest zjjti aangesloten;
' s- "-?|''
2° toepasselijk recht: het gehèel van regelgeving vastgelegd door een gewest wat betreft:                                                       a - ;
 
-     de organisatie en werking van de intercommunales;
“A
-     het bestuurlijk toezicht op de intercommunales.
3° zetel van de gewestgrensoverschrijdende intercommunale: plaats van haat voornaamste vestiging, in de zin van artikel 110 van de wet houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, gelegen op het grondgebied van een gewest dat dit akkoord ondertekent.
-X -           ^
 
Aanhechtingscriterhun van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales
Art. 2. § 1. Het op de gewestgrensoverschrijdende intercommunales toepasselijk recht is het recht van het gewest waaronder' de aandeelhouders vallen die samen het grootste deel van de publiektechtelijke aandeelhouders vormen.
 
15
 
Niettemin, in afwijking van het vorige lid, indien een gewestgiensoveisclnijdende inteicommunale meer eindverbuiikets van haar distributiediensten telt in een ander gewest dan dat bedoeld in het vorige lid, is het recht van dat gewest van toepassing.
 
Niettegenstaande wat voorafgaat en in ieder geval:
 
-   oefent het Vlaamse Gewest het toezicht uit over de intercommunale die momenteel Sibelgas (ondeinemingsnummei BE 0229.921.078) heet en dit ongeacht de eventuele toekomstige benaming ervan;
-     oefent het Brusselse Gewest het toezicht uit over de intercommunale die inonieuteel
Vivaqua (ondeinemingsnummer BE 0202.962.701) heet en dit ongeacht de eventuéle toekomstige benaming ervan;                                                                                                           7. />
-     oefent het Waalse Gewest het toezicht uit over de inteicomminlale jilie'momenteel
Tecteo (ondeinemingsnummei BE 0204.245.277) heet en dit ojlgeacht / de eventuele toekomstige benaming ervan.                                                                                            x) ,
 
§2. Een gewestgrensoverschrijdende intercommunale die'al.bestaat op de datum van
inwerkingtreding van dit samenwerkingsakkoord moet uiterlijk I jaar na de inwerkingtreding
 
van dit samenwerkingsakkoord :
 
 
 
1° voldoen aan de interne regels inzake organisa)ie en'werking van de intercommunales van het gewest waarvan het recht van toepasshrg'iS övcrcenkoinstig § 1;
 
2° een deelnemende gemeerde vair (een ander gewest dan dat waarvan het recht van toepassing is overeenkomstig paragraaf';!, de statutaire mogelijkheid te bieden om uit de intercommunale te treden Deze mogelijkheid vervalt na een jaat tenzij het toepasselijke recht t uimere mogelijkheden biedt. / jT jiy f
§ 3. De rechtbank vair eetsfe aanlcg van de plaats waar de gewestgrensoverschrijdende intercommunale haar. zetel heeft,' kan op vraag van ofwel een vennoot, ofwel een belanghebbende derde, .ofwel de bevoegde Minister, de ontbinding uitspreken van de gewestgreirsoversclrrijciendé intercommunale die haar statuten niet zou gewijzigd hebben binnen de termijn voorzien in de vorige paragraaf.
'"-‘X
J                         ' J-\
 
JJUöeféinng van het bestuur!ijk toezicht
r ^ j~
'[ Art. 3. § 1. Dc bevoegdheid voor het bestuurlijk toezicht op een gewestgrensoverschrijdeirde intercommunale, wordt uitgeoefend door het gewest waarvan het recht van toepassing is over eenkomstig artikel 2, § 1.
 
§ 2. De beraadslagingen van de gewestgrensoverschrijdende intercommunales die het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van een toezicht in een van de betrokken gewesten maar waarvan het recht niet van toepassing is overeenkomstig artikel 2, § 1, worden ter informatie bezorgd door de gewestgrensoverschrijdende intercommunale aan de toezichthoudende overheid en aarr de iegeting(en) of de door de regering(en) aangewezen toezichthoudende overheid, van het (de) betrokken gewest(en).
 
16
 
Onteigeningen
Art. 4. Onteigeningsmachtigingen worden verleend dooi het gewest waar het te onteigenen goed gelegen is. Een onteigeningsmachtiging kan slechts geweigerd worden indien de overlegcommissie, vermeld in artikel 6, daarover geraadpleegd werd.
 
Overlegcommissie
Art. 5. Om de permanente samenweiking tussen de gewestelijke overheden te yeisterken, wordt een Commissie opgericht, die samengesteld is uit een vei tegen wooidigei van elke gewestelijke minister die bevoegd is voor de uitoefening van het toezicht op de intercommunales en uit een ver tegen woordiger van elke regionale adrninistiatie. .,
'A ”'.'j
Zij keurt haar huishoudelijk reglement goed.                                    , t
Zij kan worden geadiëerd door een regering in geval van een probleem met bedekking tot de uitoefening van toezicht dooi' het gewest waarvan tjet recht van toepassing is overeenkomstig artikel 2, § 1 of met betrekking tot elke kwestie die verband houdt met de uitvoei ing van onderhavig akkoord.                                                                                 -, - x -I
z
De Commissie wordt belast met het opsteliemvan ccn jaarlijks activiteitenverslag aan de legeringen.                                                                "--C'
Periodieke opvolging                       '<v
Art. 6. Onverminderd aitike{'2?;”§ 1/lid 3, bepaalt de overlegcommissie jaarlijks, met eenparigheid en op grond van lechtvaardigingsstukken die zij definieert, het lecht dat in uitvoering van artikel 2,                              § t' tid ! en 2, van toepassing is op elk van de
gewestgrensover sein ijderide iiitëf communales.
\ f ’ ' A
Wanneer de overlegcoinmissie een wijziging vaststelt van het toepasselijk recht op een gewestgrensoverschrijdehde intercommunale, deelt het dat mee aan de inteicommunale samen met de teirnijn waarbinnen de intercommunale ziclr moet conformeren aan het nieuwe recht dat van toepassing is en met de iegels van toezicht van liet gewest waarvan het lecht van toepassing is.' '
\
'Varia
Alt. 7. Iedere conti acterende partij verbindt zich ertoe de andere contracterende partijen in te lichten over iedeie wijziging van de bepalingen die betrekking hebben op de werking van de intei communales en op de uitoefening van het toezicht op deze intei communales.
Deze informatie betreft de beperkingen op de frlialisering en de dochtermaatschappijen van de intercommunales.
 
Inwerkingtreding
kit 8. Dit samenwerkingsakkoord treedt in weiking op 1 juli 2014 ».
 
17
 
B.3.2. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de bestreden wetskrachtige nonnen, in zoverre zij instemming verlenen met de artikelen 1 tot 3 van het voormelde samenwerkingsakkoord.
 
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen.
 
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
 
B.4,1. De Vlaamse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering voeren aan dat de verzoekende partijen niet zouden doen blijken van het reclrtëns vereiste belang, nu zij als gemeenten niet rechtstreeks err ongunstig zouden worden getaakt door de bestreden
bepalingen, die de werking van gewestgrensoverschrijdehde liifercommunales regelen.
n -V ^ ' V'
B.4.2. De Grorrdwet en de bijzonder ew^va!16januari 1989 op het Grond wettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of f^chtspèrsoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van.hef veicisie belang doen slechts blijken de personen wiet
1~ -A
situatie door de bestreden norm rechtstréeks en ongunstig zou kunnen worden getaakt.
 
-A 7'\ -*•/
B.4.3. De vetzdekemie. partijen zijn gemeenten die thans reeds lid zijn van gewestgiensoversclii'ijdèpdé intercommunales. Zij doen blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepalingen, waarmee instemming wordt verlëend met een samenwerkingsakkoord, dat de aanhechtingscriteria vastlegt voor het
recht daRvan' toepassing is op dergelijke intercommunales (artikelen 1 en 2) en dat de
s\ \
uitoefenmg van het bestuurlijk toeziclrt regelt (ar tikel 3).
 
B.4.4. De exceptie wordt verworpen.
 
18
 
Ten gronde
 
Wal het eerste middel betreft
 
B,5. In lum eeiste middel voeien de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 4, 27, 39 en 134 van de Grondwet, van de artikelen 6, § 1, VIII, eerste lid, 7°, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hei vorming der instellingen, alsook van artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Biusselse instellingen, In hun memorie van antwoord preciseren zij dat de verwijzing tiaar het voormelde artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 7°, op een materiële veigissing'beiust en dat duidelijk artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, werd bedoeld. Die rechtzetting kan niet als een nieuw middel worden beschouwd.                                          '■
ƒ t
 
B.6. Artikel 1 van het samenwerkingsakkoord varr 13, februari 2014 definieert de gewestgrensoveischrijdende intercommunale als: «eëiD' vereniging opgericht door verscheidene gemeenten met welbepaalde oogmerken Van gemeentelijk belang waarbij gemeenten uit meer dan één Gewest zijn aangesloten ». Op basis van de aanhechtingscriteria vervat in artikel 2, § 1, van het s a in e n wérk i i r gs ak ko o rei is steeds het recht van één gewest van toepassing op een gewestgrensoverschrijdende intercommunale. Krachtens artikel 1 van het samenwerkingsakkoord is het toepasselijke recht « het geheel vair regelgeving vastgelegd door een gewest wat betreft-de organisatie en werking van de intercommunales [en] het bestuurlijk toezicht Optie - intercommunales». Artikels, §1, bepaalt voorts dat de bevoegdheid voor liet ' bestuurlijk toezicht op een gewestgrensoverschrijdende
intercommunale wordt uitgeoefend door het gewest waarvan het recht van toepassing is
~ ( ''
overeenkomstig artikel 2, § 1.
 
: B.7, Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen tot gevolg hebben dat een gewest afstand doet van zijn normatieve bevoegdheid inzake het bestuurlijk toezicht op en de werking van de gewestgiensoverschrijdende intercommunales ten voordele van een ander gewest. Een dergelijke afstand van bevoegdheid zou strijdig zijn met de in B.5 vermelde bepalingen De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepalingen eveneens dat ze niet voorzien in een vorm van medezeggenschap inzake de uitoefening van het bestuurlijk toezicht op de gewestgrensoverschrijdende intercommunales.
 
19
 
B,8. Artikel 27 van de Giondwet bepaalt:
 
«De Belgen hebben het recht van veieniging; dit recht kan niet aan enige pieventieve maatiegel worden onderworpen ».
 
Die bepaling heeft tot doel de oprichting van private verenigingen en de deelname aan hun activiteiten te waarborgen; zij heeft geen betrekking op de gemeenten.
, t
In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 27 vair de Grondwet, rs het niet gegrond.
 
B.9.1. Artikel 162, laatste lid, van de Grondwet bepaalt:                 ; :i
’k
_ / vN
«Ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, regelt het decreet of de in at tikel 134 bedoelcie tegel 'de voor waarden waaronder en de wijze waarop [...] verscheidenè gemeenten zich nr'et elkaar kunnen verstaan of zich kunnen verenigen. [...] ».                                                                                           _ .j
.sS ^ f r
B.9.2, Artikel 4 van de Grondwet bepaalf
« België omvat vier taalgebieden-,: liét Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brusscldloofdstad eir hef Duitse taalgebied.
'' v'7
Elke gemeente van het Rijk .nraakt deel uit van een van deze taalgebieden.
De grenzen van de vier taalgebieden kunrren niet worden gewijzigd of gecorrigeerd dan bij een wet, aangenomen nret de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voor waarde «lat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover hét totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmeri bereikt >),
B.9.3.- Artikel 39 van de Grondwet bepaalt:
« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet wotdert aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid »
 
20
 
B.9.4. Aitikel 134 van de Giondwet bepaalt:
 
«De wetten ter uitvoering van artikel39 bepalen de lechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, uitvaardigen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden.
Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decieten niet klacht van wet uit te vaardigen op het gebied en op de wijze die zij bepalen ».
 
B.9.5. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus .1980 tot
hervmming der instellingen bepaalt:                                                                                       v ‘ '
- ^ J) '' ’
f
Ǥ1. De aangelegenheden bedoeld in artikel U)lquater [thans :(artikel 39] van de
Giondwet zijn :                                                                                                 '       ''. }-
[••■]                                                                                                rt
VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft :
" ,ïs. Tl
[...]                                                                                          'V'
\ v’
8° de vetenigingen van [...] gemeenten tot'nut van het algemeen, met uitzondering van
het door de wet georganiseeide specifiek toezicht inzake biandbestrijding; ».
B.9.6. Artikel 4 van de bijzondere \vet van 12 januari 1989 met bedekking tot de
Brusselse instellingen bepaalt:
 
 
 
 
 
-S
$)
 
= \<-
 
« Het Bnisselse Ilodfdstedelijk Gewest heeft dezelfde bevoegdheden als het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. De bevoegdheden toegekend aan de Gewestpailementen woiden, wat beheft lik Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, uitgeoefend door middel van oidonnanties. _ ■
 
 
 
. B 9.7. Artikel 92bis van de vooimelde bijzondere wet van 8 augustus 1980, bepaalt in paiagraaf 2 ervan :
 
« De Gewesten sluiten in ieder geval samenwerkingsakkoorden voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben :
[...]
d) op de verenigingen van gemeenten en van provincies tot nut van het algemeen die de grenzen van een Gewest overschrijden;
 
21
 
[...]»•
Artikel 42 van (ie voormelde bijzondere wet van 12 januari 1989 heeft deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
 
B.10. Krachtens artikel 162, laatste lid, en artikel 39 van de Grondwet, is bij artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aarr de gewesten de bevoegdheid toegewezen inzake «de verenigingen van [...] gemeenten tot nirt. van het algemeen, met uitzondering van het door de wet georganiseerde speeifiek toezicht inzake brandbestrijding». Aan de gewesten komen ook de organisatie en de ïiitoefpning van het bestuurlijk toezicht op deze verenigingen toe.                                                                                         aji,
^'i r
 
B.l 1. Voor zover zij niet anders erover hebben beschikt, hébben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gewesten de volIedigéSbèvpégdheid toegekend tot het uitvaardigen van tegels die eigerr zijn aan de Inm-'toégeryezen aangelegenheden, en zulks
 
onverminderd de mogelijkheid om desnootls'eén beroep te doen op artikel 10 van de
.:s r'-X/”
bijzondere wet van 8 augustus 1980. V x
(k *
;>\ i
B.12. Het sluiten van een samenwerkingsakkoord mag niet ertoe leiden dat de Staat, een
'■'ÏïX'ïA
gemeenschap of een gewest zlph' Ö|itdoet van een bevoegdheid die haar of hem door de
Grondwet of door de bijzondere wet tot hervorming der instellingen is toegewezen. Een
ib ' W . /
samenwerkingsakkoord^ uftag geen uitwisseling, een afstand of een teruggave van
bevoegdheden tot gevolg hebben.
B.13;l; Uit dé samenhang van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 8°, van de bijzondere wet
van ■S aiigustus 1980 met artikel 92/;/.?. §2, d), van dezelfde wet blijkt dat geen van de
gewesten bevoegd is om zelf eenzijdig de aangelegenheid van de gewestgrensoverschrijdende
interó'ormirunales en het bestuurlijk toezicht op die verenigingen te regelen. Die
aangelegenheid moet verplicht worden geregeld door middel van eerr samenwerkingsakkoord
tussen de gewesten. Bij ontstentenis van een detgelijk akkoord blijven die intercommunales.
 
met toepassing van artikel 94, §2, van dezelfde bijzondere wet, geregeld bij de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales.
 
22
 
B.13,2, De bestreden bepalingen maken het mogelijk de verplichting die is vervat in artikel 92bis, § 2, d), van de bijzorrdere wet van 8 augustus 1980 ten uitvoer- te leggen.
Die bepaling verplicht de gewesten ertoe om een samenwerkingsakkoord te sluiten betreffende de gewestgrensoverschrijdende intercommunales, doch ze verplicht hen niet om in gezamenlijke structuren te voorzien om het bestuurlijk toezicht op die intercommunales uit te oefenen.
Door de organisatie en de uitoefening van het bestuurlijk toezicht aan één ërikebgewest toe te wijzen, volgens de criteria bepaald in artikel 2 van het samenwerkingsakkoord, hebben de betrokken gewestwetgevers geen afstand gedaan van een bevoegdheid' die hen was toegewezen. Ze beperken zich ertoe de reikwijdte van de bevoegdheden vast te leggen die elk gewest ten aanzien van de gewestgrensover schrijdende inteicötnfnunales kan uitoefenen.
B. 14. Het eerste middel is niet gegrond. 4. ,4 y ' /
\ , --
, 1
--< >\
\
Wat het tweede middel betreft ; . '
 
B.15. In het tweede niiddel,-Voerèn de verzoekende partijen aan dat de bestreden
bepalingen de artikelen IQ en d 1 van de Grondwet schenden, in zoverre zij instemming
|j 'Cr —
vellenen met artikel 2,\§ 1, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 13 februari 2014.
j\ (f n '
■'l\
B.16. Krachtens artikel 2, § 1, eerste lid, van het samenwerkingsakkooid is het op de
n' 'v
gewestgrensover schrijdende intercommunales toepasselijk recht, dat van het gewest
waaronder de aandeelhouders vallen die samen het grootste deel van de publiekrechtelijke
aandeel houders vormen In afwijking van die tegel vóórziet het tweede lid erin dat, indien de
bedoelde intercommunale meer eindverbruikers van haar distributiediensten telt in een ander
gewest dan dat bedoeld in het eerste lid, het recht van dat gewest van toepassing is. Volgens
het niet bestreden artikel 6 bepaalt de overlegcommissie jaarlijks, en onverminderd artikel 2,
§ 1, derde lid, met eenparigheid en op grond van rechtvaar cl igingsstukken die zij definieert,
het recht dat ter uitvoering van artikel 2, § 1, lid 1 en lid 2, van toepassing is op elk van de
gewestgrensover scht ijdende inter communales.
 
23
 
AUikel 2, §1, derde lid, sluit drie bij naam genoemde gewestgrensoveischrijdende intercomimmales uit van de voormelde regeling. Zo wordt het Vlaamse Gewest bevoegd voor het toezicht op Sibelga, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest voor het toezicht op Vivaqua en het Waalse Gewest voor het toezicht op Tecteo. Dooi af te wijken van de aanhechtingscritei ia die gelden voor de andere gewestgrensoverschrijdende intercommunales, zou het samenwerkingsakkoord volgens de verzoekende partijen een niet redelijk
 
verantwoord verschil in behandeling invoeren.
 
B.17.1. Door de afdeling wetgeving van de Raad van State geyifmgd ' naar de
verantwoording voor het bekritiseerde verschil in behandeling verklaarde de gemachtigde die
„             tj
werd aangewezen door de adviesaanvrager van het Vlaamse Gewest Itiér over -: '■
- 1 f
 
« Het gaat hier over 3 intercommunales die distributiediensterr aanbieden. In principe zouden deze aangehecht worden bij het gewest dat de nrees|e eindgebruikers telt (volgens art. 2, § 1). Tijdens de onderhandelingen was er sprake vair dht‘ de hoofdzetel bepalend zou zijn of nog de lengte van de leidingen die zich op hct grondgcbicd van een bepaald gewest bevinden. Met betrekking tot de voorgestelde criter ia waren er twistpunten ten aanzien van (ik vermoed) twee van deze intercommunales. Voor wat Tecteo betreft, was er vermoedelijk minder discussie» {Pari. St., Vlaams Parleménty 2013-2014, nr. 2486/1, p.27; Pari. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 20)3-2014, nr. A-525/1, pp. 9-10; Pari. St., Waals Parlement, 2013-2014, nr. 998/1, p. 7).'/
B.17.2. In de pailementaiie/voorbereiding wordt verduidelijkt dat deze nomimtim aanwijzing weid aangenomen.« mct het oog op het bereiken van een evenwichtig akkoord en om discussies omtrent de ^toewijzing van deze intercommunales uit te sluiten » {Pari. St, Vlaams Parlement,:2013-2014, nr. 2486/1, p. 4) en dat deze uitzondering « is ingegeven door de gewesteiijke belangen, omdat de uitsluiting aangewezen was wegens de eigen prioriteiten van elk gewest » (Pm7 St., Waals Parlement, 2013-2014, CRIC, nr. 106, p. 16).
 
Rlg. Hit het voorgaande blijkt dat de uitzondering ten aanzien van de drie met naam genoemde intercommunales werd aangenomen met het oog op het bereiken van een evenwichtig akkoord tussen de drie betrokken gewesten err omdat noch de in de artikelen 2, eerste en tweede lid, gekozen aanhechtiirgscriteria, noch atrdere criteria pertinent werden geacht voor hun specifieke situatie. Niettemin zullen de bedoelde intercommunales, evenals
 
24
 
alle andere gewestgrensoverschrijdende intercommunales, voor taan aan het toezicht van één gewest worden onderworpen, Aldus is het bekritiseerde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.
 
B, 19. Het tweede middel is niet gegrond.

 

25
 
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 december 2015.                '