Print

Uitsluitingen zorgkrediet en onbetaald verlof

In de toelichting met betrekking tot het nieuw Vlaams zorgkrediet en het onbetaald verlof als recht, wordt naast een samenvatting van de regelgeving, ook aandacht besteed aan het feit dat bepaalde personeelsleden uitgesloten kunnen worden van het recht op het tijdelijk onderbreken of verminderen van de arbeidsprestaties. Dergelijke uitsluitingen moeten uiteraard wel strikt worden geïnterpreteerd, en de uitzondering blijven op de regel.

Zorgkrediet

Het zorgkrediet is een recht voor elk personeelslid, behalve voor de decretale graden.

De bevoegde overheid kan echter ook andere leidinggevende functies (naast de decretale graden) uitsluiten, en andere ambten uitsluiten van het recht op zorgkrediet en dit om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst.  

De bevoegde overheid kan er bij die gelegenheid ook nog voor kiezen, om de genoemde titularissen van de leidinggevende functies en de ambten die in principe uitgesloten zijn omwille van dienstbelang, en die erom verzoeken, toch bij wijze van gunstmaatregel toe te staan om hun arbeidsprestaties volledig of deeltijds met één vijfde of de helft te onderbreken.

Samengevat: indien men hiervoor kiest, bepaalt de bevoegde overheid welke leidinggevende functies en welke ambten uitgesloten zijn van het recht, en vervolgens, wie van deze uitgesloten personeelsleden het verlof toch mogelijks als gunstmaatregel kan bekomen.

Een aantal van de concrete beslissingen vanwege de lokale besturen, die hieromtrent aan toezicht worden onderworpen, resulteren evenwel in gedeeltelijke schorsingsbesluiten. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit, dat de mogelijkheden om personeelsleden uit te sluiten van het recht op zorgkrediet, foutief worden toegepast.

Vaak gaat het immers niet om de uitsluiting van welbepaalde ambten, maar om ganse categorieën van personeelsleden.

Zo gaat bv het uitsluiten van alle personeelsleden van de niveaus A en B; van personeelsleden op proef of in een inloopperiode; van personeelsleden met minder dan 12 maanden dienstanciënniteit; van personeel tewerkgesteld in de buitenschoolse kinderopvang en/of kinderdagverblijven; van contractuelen met een vervangingsovereenkomst of een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur, etc…, niet zoals voorzien in de regelgeving om “bepaalde ambten”, maar om ganse categorieën van personeel. En dat gaat uiteraard in tegen de doelstelling van de betrokken regelgeving.

De mogelijkheid tot uitsluiting van bepaalde ambten betekent dat het bestuur vooraf duidelijk en gemotiveerd aangeeft, dat deze welbepaalde ambten om objectieve redenen, in tegenstelling tot de anderen, niet in aanmerking kunnen komen voor een absoluut recht op volledige of deeltijdse onderbreking van de arbeidsprestaties, en dit omwille van redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst.

Ook een regeling waarbij enerzijds geen enkel ambt concreet wordt uitgesloten, doch anderzijds de gehele of gedeeltelijke toekenning van het verlof overlaten wordt aan de beoordeling van het hoofd van het personeel, is niet conform de regelgeving.

De bevoegde overheid kan er wel voor kiezen, in de gevallen waarin de goede werking van de dienst hierdoor niet wordt verstoord, om de titularissen van de ambten die uitgesloten werden omwille van dienstbelang, die erom verzoeken, toch toe te staan om hun arbeidsprestaties volledig of deeltijds met één vijfde of de helft te onderbreken. Enkel in dergelijke situaties kan de toekenning van het verlof overgelaten worden aan de beoordeling van het hoofd van het personeel.

Beslissingen waarbij het hoofd van het personeel, of bij delegatie, een ander personeelslid, een algemene bevoegdheid krijgt toegewezen om een minimumduur en/of maximumduur kan opleggen, de omvang van het verlof (voor iedereen) kan beperken tot 20% van een voltijds equivalent om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, de ingangsdatum met 12 maanden uitstellen, etc… gaan eveneens de bovenvermelde uitsluitingsmogelijkheden te buiten.

Hetzelfde geldt wanneer een bestuur de gelijktijdige afwezigheid wegens onbetaald verlof en/of Vlaams zorgkrediet van meerdere personeelsleden van een zelfde dienst, beperkt tot 5%, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst. Het recht op zorgkrediet wordt daarmee afhankelijk gemaakt van de concrete (toevallige) situatie binnen de dienst waarin het personeelslid is tewerkgesteld, en staat volledig los van het concrete ambt dat hij/zij bekleedt.

Het onbetaald verlof als recht

Met betrekking tot het onbetaald verlof als recht,  zijn er ook mogelijkheden om personeelsleden uit te sluiten.

De bevoegde overheid kan bepalen voor welke personeelsleden of categorieën van personeelsleden het verlof niet van toepassing is.

De raad kan bijvoorbeeld bepalen dat de op proef benoemden uitgesloten worden. Ook kan de raad bepaalde anciënniteitsvoorwaarden koppelen aan deze vorm van onbetaald verlof.
In tegenstelling tot het Vlaamse zorgkrediet, waar het enkel gaat over “ambten” die uitgesloten kunnen worden, kan het bestuur met betrekking tot het onbetaald verlof als recht, “categorieën van personeelsleden” uitsluiten.

Uiteraard kunnen de uitsluitingen niet van die aard zijn, dat het volledig verlof op de helling komt te staan of volledig wordt uitgehold. De Vlaamse regering voerde dit verlof immers in als een principieel recht, behoudens de lokaal ingeschreven en noodzakelijk geachte uitsluitingen. Deze vormen dus de uitzondering en niet de regel…

Ook hier gaan de besturen niet altijd op een correcte wijze om met deze bevoegdheid.

Beslissingen waarbij bijvoorbeeld de decretale graden en alle personeelsleden van niveau A, B, en C worden uitgesloten van het recht op onbetaald verlof, gaan de redelijkheid van genoemde uitsluitingsmogelijkheden uiteraard te buiten.

De mogelijkheid tot uitsluiting van bepaalde categorieën, betekent dat het bestuur vooraf duidelijk en gemotiveerd aangeeft, dat bepaalde personeelsleden, om objectieve redenen, in tegenstelling tot anderen, niet in aanmerking kunnen komen.

Een regeling waarbij enerzijds door de raad geen concrete uitsluitingen worden ingeschreven, doch anderzijds de gehele of gedeeltelijke toekenning van het verlof overgelaten wordt aan de beoordeling van het hoofd van het personeel, is niet conform de regelgeving. Op dat moment wordt het onbetaald verlof als recht, immers ten onrechte verbouwd tot onbetaald gunstverlof, zijnde een andere regeling met eigen kenmerken.

Ook wanneer het hoofd van het personeel of bij delegatie een ander personeelslid, bij de  verlofaanvraag, de omvang van het onbetaald verlof bijvoorbeeld mag beperken tot 20% van een voltijds equivalent om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst; of een minimum en/of maximumduur mag opleggen;  of de ingangsdatum met 12 maanden mag uitstellen; etc… wordt afbreuk gedaan aan het recht van de personeelsleden.

Eveneens in strijd met de bovenvermelde uitsluitingsmogelijkheden, is bijvoorbeeld de gelijktijdige afwezigheid wegens onbetaald verlof en/of Vlaams zorgkrediet van meerdere personeelsleden van een zelfde dienst, beperken tot 5%, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst.

Het recht op onbetaald verlof wordt daarmee afhankelijk gemaakt van de concrete (toevallige) situatie binnen de dienst waarin het personeelslid is tewerkgesteld, en staat volledig los van zijn concrete functie.