Print

COVID-19: Vermindering van de belastingdruk in crisistijd

Publicatiedatum
vrijdag 10 april 2020

De Vlaamse Regering roept de lokale besturen op om erover te waken dat de belastingplichtigen op hun grondgebied minder belastingen moeten betalen op activiteiten waarop ze door de crisis financieel al zwaar inleveren. 

Zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en schepenen en de administratie kunnen ertoe bijdragen om de belastingdruk voor de belastingplichtigen te verminderen.

Reductie van de belastingdruk door de gemeenteraad

De gemeenteraad kan zijn belastingreglementen aanpassen om de belastingdruk te reduceren. Hij kan hiertoe:

  • belastingreglementen opheffen of intrekken; 
  • de inwerkingtreding van een belastingreglement of van bepaalde artikelen ervan wijzigen naar een latere datum;
  • vrijstellingen of tariefverminderingen toekennen, eventueel voor een beperkte duur.

De gemeenteraad kan zijn maatregelen beperken tot welbepaalde belastingen (bijvoorbeeld belastingen op economische vestigingen, terrasbelastingen, standplaatsvergoedingen,…), bepaalde groepen van belastingplichtigen (bijvoorbeeld de ondernemers in de gemeente) en begrenzen in de tijd (bijvoorbeeld gedurende de periode van civiele noodsituatie zoals uitgeroepen door de Vlaamse Regering).

Samenroeping van de gemeenteraad

In de meeste gevallen is voor de aanpassing van belasting- en retributiereglementen geen onmiddellijke ingreep van de gemeenteraad vereist. Sommige beslissingen kunnen perfect met terugwerkende kracht op een later tijdstip gestemd worden:

  • Welke reglementen moet de gemeenteraad tijdig aanpassen? Nieuwe reglementen en alle wijzigingen aan de bestaande reglementen voor retributies en indirecte belastingen waarbij afzonderlijke feiten of voorvallen belast worden.

    Retributies en indirecte belastingen kunnen ten vroegste toegepast worden op nieuwe prestaties, nieuwe feiten of gebeurtenissen vanaf de inwerkingtreding van de beslissing. Uitstel van de invoering of wijziging van een reglement, betekent dus dat het nieuwe of gewijzigde reglement nog geen toepassing kan vinden.

    Voorbeelden van vergoedingen die niet achteraf ingevoerd of gewijzigd kunnen worden: vergoedingen voor de afgifte van vergunningen of administratieve stukken, vergoedingen voor de kortstondige inname van het openbaar domein (inname van het openbaar domein tijdens werken, dagvergoedingen voor standplaatsen voor ambulante handel), aangiftebelastingen op de verspreiding van reclamedrukwerk, belastingen op vertoningen of evenementen.

    Het spreekt vanzelf dat de aanpassing van de vermelde reglementen niet meer dringt als de gemeentelijke dienstverlening opgeschort is en geen betalende diensten verstrekt worden of als de belastbare feiten of gebeurtenissen zich niet kunnen voordoen door de quarantainemaatregelen.

    Ook wanneer een bestuur in de afgelopen weken door de snel wijzigende omstandigheden deze regels niet heeft kunnen respecteren, blijft het van belang om de gemeenteraad zo snel mogelijk de nodige beslissingen te laten nemen.

  • Welke reglementen moet de gemeenteraad niet meteen stemmen? Nieuwe reglementen en alle wijzigingen aan bestaande reglementen (waaronder de invoering van vrijstellingen en het opschuiven van de datum van inwerkingtreding naar het volgende aanslagjaar) voor directe belastingen.

    Directe belastingen verwijzen naar een duurzame toestand (bijvoorbeeld leegstand of de aanwezigheid van een bedrijf) of een gedurige activiteit op het grondgebied van de gemeente (bijvoorbeeld het gebruik van drijfkracht). Beslissingen over directe belastingen kunnen terugwerken tot 1 januari van het aanslagjaar, vanuit de veronderstelling dat de belastingplicht gedurende het hele jaar of een groot deel van het jaar overeind blijft.  Wijzigingen aan het reglement, zeker als die in het voordeel zijn van de belastingplichtige, kunnen dus perfect op een later tijdstip en eventueel met terugwerkende kracht gestemd worden.

    Voorbeelden zijn: algemene bedrijfsbelastingen, belastingen op specifieke uitbatingen (nachtwinkels, banken, tankstations, groeven), belastingen op drijfkracht, belastingen op de duurzame inname van het openbaar domein (vaste reclameborden, jaarlijkse standplaatsvergoedingen voor ambulante handel, terrassen), leegstandsbelastingen, toeristenbelastingen op basis van beschikbare slaapplaatsen of standplaatsen.

Een gemeente zal niettemin het liefst snel rechtszekerheid willen verschaffen aan haar belastingplichtigen. Meer info over de samenroeping van een virtuele gemeenteraad.

Let op: in een aantal gevallen kan de gemeenteraad niet eigenmachtig beslissen om een retributie of belasting te verlagen of te schrappen. Dit doet zich voor als een centrale overheid aan de gemeenten oplegt om een retributie of belasting te innen waarvan het bedrag bij wet of decreet vaststaat. Alleen het orgaan dat de vergoeding invoerde, kan die ook aanpassen of opheffen. 
Een ‘vermomde’ vrijstelling van deze vergoedingen door te beslissen om ze niet te innen of door aan de betrokkenen een tegemoetkoming toe te kennen gelijk aan het bedrag van de vergoeding, is evenmin toelaatbaar.

Voorbeelden zijn retributies voor de afgifte van paspoorten, rijbewijzen en vergunningen voor de uitbating van een taxibedrijf.

Procedureregels en  vormvereisten voor de besluiten

Alleen de gemeenteraad kan belasting- en retributiereglementen wijzigen. Hij kan daarbij een beslissing nemen over elk reglement afzonderlijk of kan een overkoepelend besluit uitvaardigen dat meteen van toepassing is op meerdere reglementen tegelijk. De laatste optie heeft als voordeel dat meerdere ingrepen overzichtelijk gegroepeerd worden als crisismaatregelen.

Het besluit moet duidelijk aangeven:

  • welk reglement of welke reglementen de gemeenteraad concreet wijzigt (met vermelding van de datum van goedkeuring van elk reglement);
  • wat de wijzigingen precies inhouden en voor welke termijn de wijzigingen gelden. Het is mogelijk dat de gemeenteraad zelf geen concrete termijn vaststelt, maar bijvoorbeeld verwijst naar de civiele noodsituatie zoals die vastgesteld is door de Vlaamse Regering (artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 20 maart 2020 over maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid);
  • waardoor de wijziging ingegeven is (motivering in het overwegende gedeelte van het reglement);
  • welke bewegingsruimte het college van burgemeester en schepenen eventueel krijgt om het tarief van een retributie te differentiëren binnen de krijtlijnen van het gemeenteraadsbesluit (machtiging aan het college van burgemeester en schepenen).

Wijzigingsbesluiten worden als vanouds bekendgemaakt op de website van de gemeente en gemeld aan de toezichthoudende overheid. Alle wijzigingen worden sowieso ook verwerkt in de gecoördineerde reglementen op de website van de gemeente.

Bekijk een model van coronabesluit

Een soepele toepassing van de reglementen door de uitvoerende organen

De gemeente kan ook een gunstig fiscaal beleid creëren door bij de toepassing van haar reglementen rekening te houden met de (tijdelijke) financiële beperkingen van haar belastingschuldigen in crisistijd. Het college van burgemeester en schepenen en de financieel directeur kunnen binnen het bestaande decretale kader de nodige flexibiliteit aan de dag leggen om een belasting niet ineens te vestigen of in te vorderen:

Late vestiging van de belastingen

Het decreet van 30 mei 2008 laat flink wat ruimte voor de vestiging van gemeente- en provinciebelastingen. In de meeste gevallen zal een belasting gevestigd kunnen worden tot 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar:

  • Contantbelastingen: worden in de regel geïnd tegen de afgifte van een betalingsbewijs. Als de contante inning niet uitgevoerd kan worden, wordt de belasting een kohierbelasting en gelden de regels voor de vestiging en inning van een kohierbelasting (artikel 4, §7 decreet van 30 mei 2008);
  • Aangiftebelastingen: vereisen een aangifte vanwege de belastingplichtige binnen de termijn die vermeld is in het belastingreglement. Bij het ontbreken van een (correcte) aangifte binnen die termijn, kan het college van burgemeester en schepenen beslissen om de belasting ambtshalve te vestigen (artikel 7 decreet van 30 mei 2008).

    Het college van burgemeester van schepenen kan de ambtshalve vestiging lang uitstellen, tot drie jaar gerekend vanaf 1 januari van het aanslagjaar (of zelfs vijf jaar in het geval van kwaad opzet). Het kan hiervan gebruikmaken zolang geen belastingcontroles mogelijk zijn en eventueel ook om de belastingdruk voor de belastingschuldigen tijdelijk te verlichten. Onnodig lang uitstellen is geen optie, want het is niet de bedoeling dat de jaarlijkse belastingschulden opstapelen tot een onredelijke hoogte.

    Tot 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar, kan het college van burgemeester en schepenen eventuele laattijdige aangiftes nog aanvaarden. In dat geval moet de procedure voor de vestiging van een ambtshalve aanslag niet gevolgd worden en moeten eventuele belastingverhogingen niet aangerekend worden. Uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar moet de belastingschuld ingekohierd zijn en moet het kohier uitvoerbaar verklaard zijn;
     

  • Kohierbelastingen: moeten ten laatste op 30 juni van het jaar volgend op het aanslagjaar opgenomen zijn in een kohier dat diezelfde dag nog uitvoerbaar verklaard wordt (artikel 4, §3, eerste lid decreet van 30 mei 2008). Die bevoegdheid komt toe aan het college van burgemeester en schepenen. 

Late verzending van de aanslagbiljetten

Na de inkohiering van de belastingschulden en de uitvoerbaarverklaring van het kohier, zorgt de financieel directeur voor de verzending van de aanslagbiljetten. Daarop staat geen termijn. De enige plicht die op de financieel directeur rust, is dat de verzending ‘onverwijld’ moet gebeuren (artikel 4, §3, tweede lid decreet van 30 mei 2008).

‘Onverwijld’ wil zeggen: zo snel mogelijk, met de vereiste ijver, rekening houdend met onder andere de technische mogelijkheden waarover de financieel directeur beschikt. In coronatijd kan de financieel directeur bijvoorbeeld gehinderd worden door een beperkte inzet van personeel om de aanslagbiljetten te versturen, zowel voor de verzending van de aanslagbiljetten als voor de opvolging van de betalingen.

De omschrijving van het begrip ‘onverwijld’ staat daarnaast niet in de weg dat de financieel directeur proactief rekening houdt met invorderingsproblemen door (tijdelijke) betalingsmoeilijkheden van de belastingschuldige en met een moeilijke opvolging van de betalingen op de gemeentelijke financiële dienst. Als de aanslagbiljetten later verzonden worden, schuift vanzelf ook de inning van de schuld op.

Soepele inning van de belastingen

De inning van de belastingen is een zaak van debiteurenbeheer en valt dus onder de exclusieve bevoegdheid van de financieel directeur (artikel 177, eerste lid DLB). De financieel directeur kan de termijn rekken om de schuld te vereffenen, maar een (al dan niet definitieve) vrijstelling van betaling kan alleen toegestaan worden door het college van burgemeester en schepenen.

De gemeente kan ten aanzien van een belastingschuldige:

  • betalingsfaciliteiten toestaan. Dit gaat over een maatregel van tenuitvoerlegging, die in theorie uitsluitend onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van de financieel directeur valt. De gemeente kan hem hierin ondersteunen door een gezamenlijk afsprakenkader op te maken over de voorwaarden waaronder administratieve gunstmaatregelen toegekend worden.
     
  • onbeperkt uitstel van betaling verlenen onder de voorwaarden van artikel 63 van het Invorderingswetboek. Deze beslissing wordt genomen door het college van burgemeester en schepenen, op verzoek van de belastingschuldige of op voorstel van de financieel directeur. Deze situatie verschilt met de toekenning van betalingsfaciliteiten in die zin dat de betaling van (een deel van) de belastingschuld bevroren wordt en eventueel zelfs nooit zal plaatsvinden.

    ‘Onbeperkt uitstel van invordering’ kan slechts toegekend worden als de schuldenaar effectief onvermogend is en zijn onvermogen niet kennelijk zelf bewerkstelligd heeft, de voorbije vijf jaar geen onbeperkt uitstel van betaling verkregen heeft, de verschuldigde som niet het voorwerp uitmaakt van een administratief of gerechtelijk beroep, de verschuldigde som niet vastgesteld werd na de vaststelling van fiscale fraude en als geen sprake is van samenloop van schuldeisers.

    Het uitstel kan pas uitwerking krijgen na betaling van een (eerste) geldsom waarvan de financieel directeur het bedrag bepaalt en dat aangewend wordt op de verschuldigde belasting. Als de schuldenaar zich niet aan de opgelegde voorwaarden houdt, verliest hij de gunst van het onbeperkt uitstel van invordering en wordt de fiscale schuld weer in zijn geheel invorderbaar.
     

  • beslissen om in aanvaardbare situaties niet direct gevolgen te verbinden aan een overschrijding van de betaaltermijn. Als de betaaltermijn verlopen is, beginnen automatisch nalatigheidsinteresten te lopen (artikel 414 WIB 92) en wordt een herinneringsbrief verstuurd die het begin kan vormen van een gedwongen invorderingsprocedure (artikel 13 Invorderingswetboek).

    De financieel directeur kan de verzending van een herinneringsbrief en de opstart van een procedure van gedwongen invordering uitstellen zolang hij de verjaring van de schuld niet uit het oog verliest. Een fiscale schuld verjaart door verloop van 5 jaar na de uitvoerbaarverklaring van het kohier, onverminderd de mogelijkheden om de verjaring te stuiten (artikel 23, §1 en artikel 24 Invorderingswetboek).

    Het college van burgemeester en schepenen kan de in gebreke blijvende schuldenaar gemotiveerd  vrijstellen van (eventueel een deel van de) verschuldigde nalatigheidsinteresten (artikel 70 Invorderingswetboek). 

De toekenning van deze gunstmaatregelen zal uiteraard een impact hebben op de ontvangsten van de gemeente. De financieel directeur moet de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen en de algemeen directeur verplicht informeren over de impact van alle beslissingen (zowel die van zichzelf als die van de gemeenteraad en het college van burgemeester en schepen) op de financiën van de gemeente en het financieel evenwicht van het meerjarenplan zoals opgelegd in artikel 16 van het BVR BBC van 30 maart 2018 (artikel 177, zesde en zevende lid van het DLB). Zie ook COVID-19: De meerjarenplannen van lokale besturen.

Hoewel de financieel directeur het debiteurenbeheer in beginsel onafhankelijk uitoefent, kan de gemeente zijn soepele houding in crisistijd ondersteunen in het organisatiebeheersingssysteem en interne afsprakenkaders.

Heb je verder nog vragen? Stuur die naar binnenland@vlaanderen.be.

Deze informatie is gebaseerd op wat momenteel bekend is over COVID-19. Omdat de situatie evolueert, kan de informatie veranderen.