Op welke basis kan de nieuwe gemeente in de periode van 1 januari na de eerste verkiezing tot de opmaak van het eenjarig meerjarenplan een verbintenis aangaan met financiële gevolgen?

Op welke basis kan de nieuwe gemeente in de periode van 1 januari na de eerste verkiezing tot de opmaak van het eenjarig meerjarenplan (dus voor het einde van het eerste kwartaal) een verbintenis aangaan met financiële gevolgen?

De nieuwe gemeente moet (net als elke andere gemeente) in de loop van het jaar van de fusie een meerjarenplan vaststellen voor 6 jaar (art. 254 van het Decreet Lokaal Bestuur (DLB)).
Ze kan er (net als elke andere gemeente) voor kiezen om in het eerste kwartaal van het jaar van de fusie een eenjarig meerjarenplan vast te stellen voor het eerste jaar van de eerste bestuursperiode (art. 368 DLB). In dat geval sluiten de nieuwe gemeente en het nieuwe OCMW daarna aan bij de normale cyclus voor de opmaak van de meerjarenplanning.

Art. 265 DLB, dat de regeling bevat die van toepassing is om verbintenissen te kunnen aangaan als de gemeente nog niet over uitvoerbare kredieten beschikt voor het lopende boekjaar (2019), is op de nieuwe gemeente niet van toepassing gedurende het 1e kwartaal van het eerste jaar van de eerste bestuursperiode (art. 368,3° lid DLB). Vanaf het 2e kwartaal wordt art. 265 dus wel van toepassing voor de nieuwe gemeente. Art. 265 bepaalt dat als de gemeente nog niet over uitvoerbare kredieten beschikt voor het lopende boekjaar, het aangaan of het wijzigen van verbintenissen onderworpen is aan de voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad. De gemeente kan dan alleen verbintenissen aangaan of wijzigen die behoren tot de exploitatie en die verband houden met de courante werking en de bestaande dienstverlening.

Uit het feit dat art. 265 DLB niet van toepassing is in de periode van 1/1/2019 tot 31/3/2019 volgt:
- Dat de nieuwe gemeente in de loop van dat kwartaal verbintenissen mag aangaan en dat de financiële gevolgen ervan niet moeten passen binnen de ramingen van het (vroegere) meerjarenplan. 
- Dat het aangaan of het wijzigen van verbintenissen in die periode niet onderworpen is aan de voorafgaande goedkeuring door de gemeenteraad. 
- Dat de nieuwe gemeente in die periode formeel juridisch in principe ook verbintenissen kan aangaan of wijzigen die niet behoren tot de exploitatie en die geen verband houden met de courante werking en de bestaande dienstverlening, weliswaar rekening houdende met het feit dat art. 268 DLB wel van toepassing is (Totdat de gemeente over uitvoerbare kredieten beschikt, kan ze alleen uitgaven doen overeenkomstig verbintenissen die zijn aangegaan voor het begin van het boekjaar en overeenkomstig nieuwe verbintenissen die behoren tot de exploitatie en die verband houden met de courante werking en de bestaande dienstverlening).

Het derde lid van dat artikel 368 DLB bepaalt dat de voorwaarden om verbintenissen te kunnen aangaan of wijzigen, zoals vastgesteld in artikel 265, gedurende het eerste kwartaal van de eerste bestuursperiode niet van toepassing zijn op de nieuwe gemeente om te vermijden dat de nieuwe gemeente in de opstartfase geen verbintenissen zou kunnen aangaan of wijzigen zonder telkens voor elke verbintenis de voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad te vragen zolang er geen vastgesteld meerjarenplan is. 

Conclusie: In de praktijk betekent dat een goede voorbereiding voorafgaand aan de eigenlijke samenvoeging cruciaal is voor een gezonde werking van de nieuwe gemeente zodat in in het eerste jaar al zo snel mogelijk en in elk geval in de loop van het 1e kwartaal een eenjarig meerjarenplan kan vastgesteld worden. Zolang het eenjarig meerjarenplan niet is vastgesteld, zal de nieuwe gemeente in de periode van het eerste kwartaal van het eerste jaar van de eerste bestuursperiode intern in het kader van de organisatiebeheersing zelf de nodige regels moeten uitwerken.