Gelden de voorwaarden uit artikel 589, §3 DLB, namelijk voldoen aan de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden tot 31.12.2023 en de mogelijkheid om opgenomen te worden in de wervingsreserve tot een door de raad te kiezen datum, ook voor de nieuwe gemeente?

Gelden de voorwaarden uit artikel 589, §3 DLB, namelijk voldoen aan de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden tot 31.12.2023 en de mogelijkheid om opgenomen te worden in de wervingsreserve tot een door de raad te kiezen datum, ook voor de nieuwe gemeente?

Wat de wervingsreserve betreft kan algemeen worden gesteld dat een laureaat die opgenomen is in een wervingsreserve voor een bepaalde graad, voor de duur ervan zijn aanspraak behoudt op aanwerving in die graad, voor zover deze in het nieuwe organogram is behouden. De raad bepaalt de betrekkingen die in het nieuwe organogram overeenstemmen met de betrokken graden. De raad zal in voorkomend geval een regeling moeten uitwerken wanneer er meerdere reserves zouden bestaan voor eenzelfde graad. Hetzelfde geldt indien de ene opgemaakt werd n.a.v. vergelijkende examens en de andere niet. De raad moet ook regelen hoe er voortaan concreet zal worden uit geput, en in welke omstandigheden iemand zijn plaats in de reserve kan behouden of verliezen. Wervingsreserves waartoe mogelijks wordt besloten n.a.v. een vacant-verklaring vóór de samenvoegingsdatum, maar die pas effectief kunnen worden samengesteld na de samenvoegingsdatum, worden ten stelligste afgeraden.

De samen te voegen gemeente kan dus een wervingsreserve aanleggen met toepassing van artikel 589, §3 DLB. In navolging van bovenstaande, behoudt de betrokkene voor de duur ervan zijn aanspraak op aanwerving in die graad, ook in de nieuwe gemeente.

Ook de nieuwe gemeente kan een wervingsreserve aanleggen (na 1 januari 2019), dit in uitvoering van artikel 600, §3 DLB (indien er geen of niet overal een algemeen/financieel directeur is) of in uitvoering van artikel 358 DLB (indien er wel een algemeen/financieel directeur was binnen alle samen te voegen besturen), maar dan met toepassing van de regeling die in uitvoering van het BVR rechtspositieregeling plaatselijk is ingeschreven. In tegenstelling tot bovenstaand punt, is hier wel vereist dat de betrokkene zich kandidaat stelt voor de functie van algemeen/financieel directeur om in de wervingsreserve te kunnen worden opgenomen.

De vrijstelling die in artikel 589 §3 wordt geboden aan de niet aangestelde secretarissen of financieel beheerders geldt, net zoals voor alle toekomstige fusies, niet voor de algemeen directeurs en financieel directeurs die in uitvoering van artikel 600, §3 DLB of artikel 358 DLB niet worden aangesteld in de nieuwe gemeente. Voor hen geldt uitsluitend nog artikel 382.

Met de overgangsregeling werd een decretaal ingestelde wervingsreserve ingesteld voor de decretale graden die het na de eerste ronde niet worden. Binnen de fusietrajecten houdt dit in dat alleen binnen de samen te voegen gemeenten een wervingsreserve kan worden vastgesteld op grond van die specifieke overgangsbepaling. Na 1 januari 2019 kan de nieuwe gemeente hier niet meer op terugvallen, maar zal die binnen de grenzen van wat op dat ogenblik van kracht is de gepaste beslissing moeten nemen. Dit betekent dat de nieuwe gemeente ook een wervingsreserve kan aanleggen, maar dan met toepassing van hetgeen op dat vlak is vastgesteld in de ‘tijdelijke’ rechtspositieregeling.