Fietsleasing: wat zijn de fiscale en sociaalrechtelijke aspecten waarmee rekening moet worden gehouden?

Antwoord

Een geleasete fiets ter beschikking stellen van de personeelsleden kan, maar levert in de publieke sector geen fiscaal en sociaalrechtelijk voordeel op voor het personeelslid.

Bij het leasen van een fiets komen de werkgever en de werknemer overeen dat er een fiets ter beschikking wordt gesteld in ruil voor een inhouding op het salaris. Dat wordt beschouwd als een sociaal of extralegaal voordeel.

Bij de lokale besturen wordt het brutosalaris vastgesteld na sectorale onderhandelingen. Er is voor de individuele besturen en hun personeelsleden geen onderhandelingsruimte over het salaris, noch in plus, noch in min. Het is dus niet mogelijk om bovenop het brutosalaris nog een deel salaris te voorzien om het leasen van een fiets te financieren. Naast het feit dat een inhouding op het brutoloon niet toegelaten is door de Loonbeschermingswet laten ook de fiscus en de RSZ evenmin toe dat een deel van het “gewone” brutosalaris wordt afgeroomd om op die manier een fiets te financieren.

Concreet wil dat zeggen dat bij de lokale besturen enkel een inhouding op het nettosalaris (dus na de verplichte afhoudingen op het brutosalaris zoals bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdragen) mogelijk is voor het leasen van een fiets. Voor het personeelslid levert dat uiteindelijk weinig of zelfs geen financieel voordeel op. Het volledige brutosalaris blijft immers op dezelfde manier onderworpen aan fiscale en RSZ-inhoudingen.

In de private sector is het daarentegen toegelaten om het brutosalaris te heronderhandelen zolang de minimumbarema’s gerespecteerd blijven. Zo kan er een bedrag ter waarde van de financiering van de fiets afgesproken worden.

Conclusie: in theorie kan het lokaal bestuur een geleasete fiets ter beschikking stellen aan de personeelsleden, maar dat zal in de praktijk geen fiscaal en sociaalrechtelijk voordeel opleveren.