Kan een mandataris afstand doen van zijn wedde?

Antwoord

Een mandataris kan geen afstand doen van zijn wedde, maar kan wel een deel van zijn wedde doorstorten aan een derde of aan het eigen bestuur.

De wedde van een mandataris is vastgesteld op grond van de organieke decreten (DLB en Provinciedecreet). De besturen hebben dus niet de bevoegdheid om daarvan af te wijken. De bepalingen in verband met de mandatariswedden zijn zeer dwingend. Het bestuur is verplicht om de wedde ten laste te nemen en uit te betalen. Een mandataris kan dus nooit verzaken aan zijn wedde, omdat hij volgens de decreten “een wedde geniet ten laste van” het betrokken bestuur.

De decretale bepaling beschermt en waarborgt de economische onafhankelijke uitoefening van de functie voor de hele duur van het mandaat. De dwingende norm stelt het mandaat ook open voor alle lagen van de bevolking.

De mandataris kan wel zelf op eigen initiatief een deel van zijn netto-wedde aan een derde storten. De financieel directeur kan ook op uitdrukkelijk verzoek van de mandataris bij de betaling van diens netto-wedde een deel ervan inhouden en doorstorten naar een derde. Dat laatste is mogelijk voor zover:

  • slechts een deel van de wedde wordt doorgestort;
  • hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan rechterlijke uitspraken waarbij een voorafname of inbeslagname van de wedde werd bevolen;
  • de inhouding gebeurt op het bedrag dat overblijft na aftrek van alle wettelijke en reglementaire inhoudingen, zoals die voor het pensioen (cf. art. 2 Wet van 8 december 1976 tot regeling van het pensioen van sommige mandatarissen en van dat van hun rechtverkrijgenden: inhouding op het gehele brutoloon).

Het is overigens wenselijk dat de betrokken mandataris hiertoe een schriftelijke aanvraag doet waarin de begunstigde derde uitdrukkelijk wordt aangeduid.

Indien de mandataris beslist om een deel van zijn wedde af te staan ten voordele van het eigen bestuur, dan moet dat worden beschouwd als een schenking aan het bestuur. Het bestuur zal nog altijd evenveel loonkosten moeten betalen, ook al stort de mandataris zelf een deel terug of duidt de mandataris het bestuur aan om bv. 5% van zijn netto-wedde terug te storten. De mandataris mag ook niet uit het oog verliezen dat hij voor de fiscus het volledig loon heeft ontvangen. De vraag of hij het bedrag van de inhouding kan aftrekken van zijn belastbaar inkomen is dan een vraag voor de Federale Overheidsdienst Financiën, omdat fiscale aangelegenheden een federale bevoegdheid zijn.

We wijzen er tenslotte nog op dat, in het geval van een schenking aan het bestuur, de raad die schenking definitief moet aanvaarden (art. 41, tweede lid, 12° DLB).

Dezelfde redenering geldt voor de vraag naar een mogelijke verzaking aan de eindejaarspremie of het vakantiegeld.