Welke grondslagen en assumpties kan ik opnemen in de toelichting van het meerjarenplan?

Antwoord

Omdat de raadsleden de inhoud van de financiële nota van het meerjarenplan goed zouden kunnen beoordelen, moeten ze weten welke uitgangspunten het bestuur gebruikt om de ontvangsten en de uitgaven te ramen. Daarom bepaalt de regelgeving dat de toelichting een beschrijving moet bevatten van de grondslagen en assumpties die het bestuur gekozen heeft voor de opmaak van het beleidsrapport (artikel 3, 4e lid van het ministerieel besluit BBC van 21 juni 2018).

De regelgeving definieert niet wat “grondslagen en assumpties” zijn en bepaalt niet welke hypotheses het bestuur moet toepassen of beschrijven. Door de diversiteit en het specifieke karakter per bestuur is het onmogelijk om een exhaustieve lijst van grondslagen en assumpties te bepalen.

Voorbeelden van grondslagen en assumpties die besturen kunnen beschrijven, zijn:

  • voor personeelsuitgaven:
    • de toegepaste (evolutie van de) loonindex;
    • de evolutie van de samenstelling van het personeelsbestand (aantallen, prestatiebreuken, niveaus, pensioneringen, langdurige afwezigheden, aanwervingen, externalisering van verplichtingen, enz.;
    • de beleidskeuzes op het vlak van het statuut (statutairen versus contractuelen, toelagen en vergoedingen, extralegale voordelen, enz.);
    • de evolutie van de basisbijdragen voor de pensioenvorming van de statutairen (afwijking van de percentages voor het Gesolidariseerd Pensioenfonds);
    • de evolutie van de responsabiliseringsbijdragen voor de pensioenen en afwijking van de ramingen;
    • de gehanteerde principes voor de raming van de bijdragen voor de 2e pensioenpijler;
    • de bijstorting van premies in een pensioenfonds of de aanwending van pensioenreserves;
  • voor aankoop van goederen en diensten:
    • het algemene stijgingsritme of een andere ramingsmethode die het bestuur gebruikt;
    • afwijkingen voor de aankoop van specifieke goederen en diensten;
    • uitbesteding versus uitvoering in eigen beheer;
    • bijzondere evoluties door nieuwe of eenmalige feiten (bv. de opstart van een nieuwe dienstverlening);
  • voor toegestane subsidies:
    • de gebruikte parameters (per entiteit) voor de evolutie van de subsidies aan verbonden entiteiten (bv. eigen inschatting op basis van eigen aannames, overname uit documenten van de verbonden entiteit);
    • de basis voor de raming van andere toegestane subsidies (bv. stabiel gehouden, indexatie toegepast, invloed van bepaalde eenmalige elementen);
  • voor financiële uitgaven:
    • de rente-evolutie voor de leningen die het bestuur zal opnemen of waarvan de rentevoet wordt herzien;
    • eenmalige financiële kosten ingevolge bijzondere overeenkomsten (bv. PPS-overeenkomsten zoals ‘Scholen van Morgen’);
  • voor ontvangsten:
    • de uitgangspunten voor de inschatting van de evolutie van de ontvangsten uit de APB en OOV ((verklaring voor) het evolutiepercentage, eenmalige verhogingen of verlagingen, afwijkingen APB en OOV van de ramingen van de FOD Financiën en Vlabel);
    • de hypotheses die het bestuur gebruikt heeft voor de raming van nieuwe belastingen, afschaffing van belastingen, tariefverhogingen of tariefverlagingen van belastingen;
    • de informatie waarop het bestuur zich gebaseerd heeft voor de inschrijving van de te ontvangen algemene werkingssubsidies;
    • de manier waarop het bestuur de specifieke werkingssubsidies en ontvangsten uit prestaties heeft ingeschat;
    • de wijze van berekening van te ontvangen investeringssubsidies;
    • de aannames bij verkoop activa (eigen inschatting, officiële schatting);
    • de gehanteerde criteria voor de (wijziging van de) terugbetaling van toegestane leningen.

Voor de toelichting bij de aanpassing van het meerjarenplan om de kredieten van het volgende boekjaar vast te stellen, gelden dezelfde principes.