Kan het OCMW afwijken van de gemeente bij het vaststellen van het presentiegeld?

Kan het OCMW afwijken van de gemeente bij het vaststellen van het presentiegeld?

De OCMW’s dienen zich, bij het vaststellen van het presentiegeld, te houden aan de bepalingen van artikel 27, §2, eerste en tweede lid, van het OCMW-decreet. Dat betekent dat leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, voor hun aanwezigheid in de raad voor maatschappelijk welzijn, steeds evenveel krijgen als de leden van de gemeenteraad voor hun aanwezigheid in de gemeenteraad. De OCMW-raad heeft op dit punt geen appreciatiebevoegdheid.

Voor het bijwonen van de vergaderingen van het vast bureau, een bijzonder comité of een vergadering uit de lijst die de Vlaamse Regering vastgesteld heeft (art. 10, §4, BVR 5/6/2009), bedraagt het presentiegeld maximaal evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden van de gemeente die door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bediend. Dat betekent dat de raad voor maatschappelijk welzijn kan afwijken van wat er voor de gemeenteraadsleden is voorzien, zij het beperkt tot maximaal evenveel als het presentiegeld van de gemeenteraadsleden. Als de raad geen afwijking vaststelt, dan is de regeling van de gemeente ambtshalve van toepassing.

In tegenstelling tot de voorzitter van de gemeenteraad is het niet mogelijk om dubbel presentiegeld toe te kennen aan devoorzitter van de OCMW-raad, omdat die ook voorzitter van het OCMW is. Hij ontvangt voor zijn uitvoerend mandaat immers al een wedde. Deze cumulbeperking volgt uit artikel 68, §3, OD.
Zie ook de Veelgestelde Vraag: Mag er beslist worden om de leden met raadgevende stem minder presentiegeld te geven dan effectieve leden?

Zie ook het antwoord van Marino Keulen op een Vraag om Uitleg van 19 april 2007 (nr. 786) van Frans Peeters in het Vlaams Parlement.