Hoe wordt er tewerk gegaan als de financieel beheerder een dwangbevel uitvaardigt, als bedoeld in artikel 94, 2° van het gemeentedecreet? Kunnen er kosten aangerekend worden?

Hoe wordt er tewerk gegaan als de financieel beheerder een dwangbevel uitvaardigt, als bedoeld in artikel 94, 2° van het gemeentedecreet? Kunnen er kosten aangerekend worden?

Artikel 94, 2°, van het Gemeentedecreet heeft een bijkomende mogelijkheid gecreëerd om de financieel beheerder een dwangbevel te laten uitvaardigen bij niet-fiscale schuldvorderingen, op voorwaarde dat ze onbetwist en opeisbaar zijn.
Het kan gaan over het invorderen van retributies, huurgelden, pachten, en andere op het eigendomsrecht gevestigde inkomsten.

Dat dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen. Een dergelijk dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot. Dat exploot stuit de verjaring. Een bevel kan door het college van burgemeester en schepenen alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld zeker, vaststaand en opeisbaar is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand worden met een aangetekende brief.

De volgende stappen moeten dus gevolgd worden:

  1. De financieel beheerder stelt vast dat een retributie (of een factuur) niet betaald is binnen de gestelde termijn;
  2. De financieel beheerder stuurt een aangetekende brief om de schuldenaar aan te manen alsnog te betalen. Hij vermeldt dat de schuld via een dwangbevel zal worden ingevorderd indien deze niet betaald wordt binnen een redelijke termijn (bijvoorbeeld een maand);
  3. De financieel beheerder stelt een dwangbevel op waarin de nodige gegevens duidelijk zijn vermeld: naam en adres van de schuldenaar, retributiereglement, reden of oorzaak van de schuld, bedrag van de schuld, datum van de openstaande factuur, datum van de aangetekende aanmaning, artikel 94, 2° van het Gemeentedecreet als rechtsgrond van het dwangbevel;
  4. Er wordt nagegaan of de schuld zeker, vaststaand en opeisbaar is; en of er geen bezwaren zijn ingediend?
  5. Het college van burgemeester en schepenen viseert het dwangbevel en verklaart het uitvoerbaar;
  6. Het dwangbevel wordt betekend door de deurwaarder.

 

Artikel 94, 2° verduidelijkt verder nog dat schulden van een publieke rechtspersoon nooit via een dwangbevel kunnen worden ingevorderd. Verzet tegen dat exploot kan worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde.

Het dwangbevel kan bestreden worden via het aantekenen van een oneigenlijk verzet, dat een behandeling van de grond van de zaak mogelijk maakt. In dat verband kan worden gesteld dat de uitvoerbare kracht van het dwangbevel in alle gevallen geschorst wordt. Zodoende wordt aan de rechtszoekende geen enkel rechtsmiddel ontnomen.
 

De procedure die voorafgaat aan het betekenen van het dwangbevel, door de deurwaarder, brengt een aantal administratieve kosten mee. Deze inningskosten behoren eigenlijk tot de algemene werking van de gemeente en moeten in de mate van het mogelijke gedekt worden met algemene middelen.

Dit heeft tot gevolg dat “de belastingbetaler” mee instaat voor de extrakosten die veroorzaakt worden door nalatige, onwillige betalers. Verschillende gemeentebesturen vinden het billijker om deze extrakosten ook aan te rekenen aan de achterstallige en/of onwillige schuldenaar. Daarvoor is een rechtsgrond nodig: een retributiereglement moet duidelijk bepalen welk tarief wordt aangerekend voor welke kosten. Dat tarief moet uiteraard redelijk blijven. Het kan bijvoorbeeld samengesteld zijn uit een bedrag voor het verzenden van een gewone en/of een aangetekende aanmaningsbrief, verhoogd met een matig bedrag voor de aanmaak van het dwangbevel.

Als het over het invorderen van een retributie gaat worden de kosten bij voorkeur opgenomen in het desbetreffend retributiereglement. Op die manier worden de invorderingskosten rechtstreeks in verband gebracht met de vergoeding voor de dienstverlening die in het retributiereglement is vastgesteld.

Het wijzen op de kosten, bij onwillige betaling, kan voor de retributieplichtige trouwens een aansporing zijn om wel vrijwillig te betalen zodat extrakosten vermeden worden.